• 08

Jezus in Gethsémané

“En Hij begon droevig en zeer beangst te worden…”Matthéüs 26:37b

Hebt u dat weleens gehad? Er lag een operatie in het vooruitzicht. Er was geen ontkomen aan. Medicatie was niet langer afdoende. Wat zag u er tegenop. Maar er was nog iets anders dat er gebeurde. De Heere maakte dat u kwam tot “overgave”. In uw gebed zei u tot de Heere: “Heere, doet U maar wat goed is in Uw ogen…”. “Heere, ik vertrouw mij helemaal aan U toe…”. En het bijzondere was: een rust daalde neer in uw ziel. De Heere was erbij en u mocht ervaren: dat er geen haar van het hoofd zou kunnen vallen, zonder de wil van de hemelse Vader.Hebt u dat weleens gehad? Er lag een operatie in het vooruitzicht. Er was geen ontkomen aan. Medicatie was niet langer afdoende. Wat zag u er tegenop. Maar er was nog iets anders dat er gebeurde. De Heere maakte dat u kwam tot “overgave”. In uw gebed zei u tot de Heere: “Heere, doet U maar wat goed is in Uw ogen…”. “Heere, ik vertrouw mij helemaal aan U toe…”. En het bijzondere was: een rust daalde neer in uw ziel. De Heere was erbij en u mocht ervaren: dat er geen haar van het hoofd zou kunnen vallen, zonder de wil van de hemelse Vader.

Veel meer nog en veel dieper, kwam de Heere Jezus tot overgave… Oh, wat zag Hij er tegenop… Zijn lijden en sterven is met geen enkele aardse nood te vergelijken. Maar wat doet de Heere Jezus? Hij gaat in gebed. “Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker aan Mij voorbijgaan.” Maar dan ook die overgave “niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt…”.

Deze “overgave” was niet alleen een daad van genade voor de Heere Jezus zelf. Zodat Hij Zich gesteund wist, door de Vader, in de lijdensweg die Hem wachtte…. Maar deze “overgave”, is met name ook een daad van genade, jegens al Zijn kinderen. Want nu Hij tot overgave komt, nu Hij de weg van het lijden aanvaardt, is er voor de gelovigen eeuwige uitkomst en een eeuwige toekomst. Jezus krijgt kracht om - de kruisweg - te gaan. Om het offer van Zijn leven te brengen. Daarom is er voor een kind van God, ondanks alle moeiten, zorg, ontluistering en pijn toch een eeuwig uitzien.

Guido de Brès heeft dat prachtig verwoord in artikel 21, van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: “Wij vinden allerlei vertroosting in Zijn wonden…”. Ja, zelfs Zijn zweet werd tot grote druppels bloed, toen de Heere Jezus daar in Gethsémané in gebedsstrijd met Zijn God verwikkeld was. Zie op dat bloed. Zie op die wonden. Zie op Zijn benauwdheid. “Hij begon droevig en zeer beangst te worden…”. En dat alles om in de plaats te kunnen gaan staan van zondaren. Ons onrecht, ons bloedvergieten, onze zonden, moet met de zwaarst mogelijke straf gestraft worden. De Schrift zegt: oog om oog, tand om tand. Ons bloed wordt geëist, waar wij het bloed van anderen genomen hebben.

Maar zie eens: God neemt het bloed aan van Zijn bloedeigen Zoon! Bloed dat reinigt van alle zonden. De Heere Jezus heeft daar Zelf over gesproken: “Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven”. Zo wilde Hij gaan staan op de plaats waar u had moeten staan. Hem troffen de slagen die u en ik hadden verdiend.

Mag u daar bij leven? Zie Hem daar eens kruipen in de hof. “Daar de angst der hel Hem alle troost deed missen…”. Hoe kan een mens verlamd raken door de gedachte aan wat komen gaat: een operatie, de uitslag uit het ziekenhuis… Ja, dat is ook aangrijpend. Het gaat immers om je leven. Maar, zie dan toch verder. Hij heeft immers met Zijn bloed de deur geopend voor al degenen die op Hem vertrouwen, die met Hem leven. Zie dan op Zijn wonden. Dat wil zeggen: zie op Zijn liefde. Hij kijkt u vriendelijk aan, biedt u Zijn doorboorde liefdeshand aan en zegt: “dit deed Ik voor u”. Geef er eens antwoord op: heeft die liefde van Hem uw hart al verbroken? Heeft het u gebracht tot “overgave”. Nee, die overgave had de Heere Jezus ook niet van Zichzelf. Immers, in Zijn gebedsstrijd, heeft Hij een beroep gedaan op Zijn hemelse Vader. Wat een voorbeeld voor ons. Immers, Hij heeft de weg gebaand naar het Vaderhart. 

Lezen: Matthéüs 26:36-46. 

Zingen: Psalm 42:2,4.

Van harte Gods zegen toegewenst.Ook namens de PCD en de wijkkerkenraden 2 en 7, Dordrecht.

Ds. G. van Wijk, maart 2018

Een brief voor je buren

Namens de evangelisatiecommissie geven Pieter en Nathalie Hartkoorn en Jan-Willem en Ellen Krowinkel een oriëntatiecursus op het christelijk geloof. Deze cursus is bedoeld voor rand- en buitenkerkelijken die willen weten hoe ons geloof in elkaar steekt. Omdat we hopen dat u zich ‘niet schaamt voor het evangelie’ (Rom. 1: 16) en graag ‘getuigt van de hoop die in u is’, (1 Petr. 3:15) zouden we graag een beroep op u doen bij het zoeken naar cursisten. Hiervoor kunt u bijgevoegde brief gebruiken.
 

Lees meer

De eerste paaspreek

 Vreest gijlieden niet;
want ik weet dat gij zoekt Jezus,
Die gekruisigd was.
Hij is hier niet; want Hij is opgestaan,
Gelijk Hij gezegd heeft.
Komt herwaarts, ziet de plaats,
Waar de Heere gelegen heeft.
 
Matthéüs 28:5,6

 

Wat een troostrijk woord is dat. Op de vroege paasmorgen staat de engel de vrouwen al op te wachten. De aanblik van de lichtende gestalte is voor die vrouwen angstaanjagend. Maar de engel verkondigt Evangelie. “Vreest gijlieden niet, want ik weet dat gij zoekt Jezus…”. Mooi als dat van ons gezegd kan worden: “gij zoekt Jezus”. 

“Vreest niet”, dat heeft de engel niet gezegd tegen die twee soldaten, die bij het graf stonden. Nee, hen laat hij verschrikt wegvluchten. Die soldaten kan hij er niet bij gebruiken. Maar de vrouwen worden vriendelijk uitgenodigd om de plaats waar de Heere gelegen heeft, goed in zich op te nemen. Ja, “gelegen heeft”, want de Heere is opgestaan! Hij is overwinnaar gebleken over dood en graf. En dat is niet voor Zichzelf, maar voor Zijn kerk.

Is het u ook om de Heere Jezus te doen? Ik hoop dat u het meebelijdt: “ja, ik zoek Jezus”. Ik zoek Hem in alles wat ik doe, en dan vraag ik Hem: “Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal”. Ik zoek Hem in Zijn Woord en dan vraag ik: “Heere maakt Gij mij Uw wegen bekend”. Ik zoek Hem in het gebed en dan bid ik: “Heere laat mij U vinden en ga mij met Uw heillicht voor”.

Maar de engel voegt er nog wat aan toe. “Komt herwaarts, ziet de plaats waar de Heere gelegen heeft”. Wat zien ze dan? Doeken, netjes opgerold. Alsof iemand zijn bed heeft opgemaakt. Ja, dat klópt ook: Hij is opgestaan! En… Je kunt de balsem en de mirre die Jozef van Arimathéa had meegenomen nóg ruiken!

De engel roept de vrouwen dus op tot meditatie! Tot overdenking. Deze oproep komt ook tot ons. Juist in onze jachtige tijd. Doeken netjes samengerold, maar door bloed gekleurd. 

Zo worden de vrouwen maar ook wij in gedachten teruggevoerd naar de wonden die Hij droeg. Naar de pijn die Hij had te doorstaan. Ja, we worden in gedachten teruggevoerd naar onze zonden. Zodat we zeggen met die oude regels:

Ik sloeg Hem die wonden
Voor mij moest Hij daar staan
Ik deed door mijne zonden
Hem al die jammeren aan.

Maar deze paaspreek spreekt niet enkel over Zijn verzoenend lijden maar ook over Zijn zegenrijke opstanding. Want de engel zegt: “Hij is hier niet”. Ja, waar is Hij dan? Wel, dat houdt de engel nog even verborgen. Want die vraag gaat de Heere Jezus straks Zelf beantwoorden. Net als op de jongste dag. Dan zal alle oog Hem zien.

Hoe waar is het woord in de hof van Arimathéa gebleken, toen Hij eerder tot Martha sprak: “Ik ben de opstanding en het leven”. Nog rijker dan de boodschap “de Heere is opgestaan” is de boodschap “de Heere is de Opstanding”. Dat wil zeggen: allen die aan Hem verbonden zijn, zullen met Hem leven. Want Heere Jezus had er troostrijk aan toegevoegd:

Die in Mij gelooft, zal leven,
Ook al ware hij gestorven

Wie krijgt er van deze eerste paaspreek ooit genoeg?

Maart 2016, Ds. G. van Wijk

Afsluiting gesprekskringen

Foto's van de afsluitingsavond van de gesprekskringen.

Lees meer

Kring-in 2016

Foto's van kring-in van januari 2016. Dit jaar denken de gesprekskringen na over het bijbelboek Esther.

Lees meer

Hij slaapt niet!

Die ook zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken?

Psalm 121:4

Ik slaap niet. Als je dat zelf moet zeggen, gaat het waarschijnlijk niet zo goed met je. Want mensen hebben slaap nodig. Anders raken ze lichamelijk en geestelijk uitgeput. Moeilijk is het, als mensen toch slecht slapen. Vanwege onverklaarbare slapeloosheid. Of vanwege heel veel spanning.

Bij mensen hoort, dat ze moeten slapen. Bij giraffes minder. Van die dieren is bekend dat ze gemiddeld maar een uur en drie kwartier per dag slapen. Daar hebben ze genoeg aan. Van God lezen we in Psalm 121 dat Hij in het geheel niet slaapt. 

Dat is in psalm 121 ondertussen niet zomaar een feitelijkheid die genoemd wordt. Het is iets waar de gelovige in dankbaarheid melding van maakt en rust en moed uit put.

Psalm 121 is een pelgrimslied. De dichter is op zijn tocht naar Jeruzalem om er God te aanbidden in Zijn tempel. Maar de tocht is lang en niet zonder gevaar. Zal Hij veilig in het huis van de Heere komen? Hij zoekt het ervoor bij God. Die grote God, Die hemel en aarde geschapen heeft. Die dus ook groot genoeg is om hem te helpen. “Mijn hulp is van de HEERE.”

En die God zal zijn Bewaarder zijn. Als een persoonlijke lijfwacht mag hij God bij zich hebben. Goed, overdag heeft hij zelf zijn ogen ook open. Maar ’s nachts is het donker. En hij moet ook rust nemen. Dan slaapt hij. Maar dan geldt het: “Ziet, de Bewaarder Israëls zal niet sluimeren, noch slapen.” 

Het is niet omdat wij het verdienen door onze goedheid. Het is door Zijn genade in Christus, dat God onze God wil en kan zijn. En als Hij met ons gaat, dan is Hij de Bewaarder van ons leven. In de tijd dat we gezond en bezig zijn. Maar ook in de tijd dat we uitgeteld, moe en afwezig zijn.

Uw Bewaarder zal niet sluimeren, noch slapen. Een militair op wacht, kan wel eens last hebben van slaperigheid en even wegzakken. God heeft daar niet mee te maken. Hij is altijd op Zijn qui-vive. Steeds alert en waakzaam. En in het leven van het geloof mogen we belijden: zo waakt Hij over mij!

Wat een rust mag dat geven. Iedere avond weer, als we slapen gaan. Zeker ook als we wat bangig zijn aangelegd. Maar ook als we – misschien door de leeftijd - onze alertheid bij tijden wat verliezen. Of als we in de geestelijke strijd tegen satan, zonde en eigen vlees soms wat indommelen, met alle risico’s van dien. Hij slaapt gelukkig niet.

Voor mensen die geopereerd moesten worden onder narcose is de belijdenis dat God niet sluimert noch slaapt vaak ook een grote rust geweest. Zelf ben je totaal buiten westen, en je weet niets van wat er met je gedaan wordt. Maar God is wakker.

Met deze God is het oppassen geblazen als je tegen Zijn goede regering en heilzame leiding opstaat en je van Hem afwendt. Want dan slaapt Hij ook niet. Hij is wakker over Zijn Woord om het te doen! Hij laat de komst van Zijn koninkrijk niet te gronde richten door vijandelijke machten. Hij gunt  mensen die tegen Hem opstaan veel tijd om tot inkeer te komen en Zich aan Hem gewonnen te geven. Maar als dat niet gebeurt, dan zal Hij korte metten met hen maken.

Er is nog een bijzonder voorbeeld dat God niet slaapt. In de nacht van Jezus gevangenneming, de paasnacht, was het de gewoonte dat Israël wakker bleef. Toen kwam Jezus in de hof van Gethsemané in grote strijd. Hij vroeg de discipelen met Hem te waken en te bidden. Zij vielen echter in slaap. Maar de Heere Jezus bleef wakker. Strijdend en worstelend. Zo is Hij de Redder van Zijn kerk! Dat blijft Hij. Tot Hij Zijn kerk veilig thuis heeft gebracht!

Ds. A. de Lange

 

Bent u ook een vreemdeling hier?

“En hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren.”

Hebreën 11:13 eind

Oost west, thuis best. Dat vinden we vaak. Ik kende iemand die er graag opuit ging, maar die toch altijd zorgde dat hij ’s avonds weer thuis was, want hij wilde graag in zijn eigen bed slapen. Thuis, dat is de plaats van de vertrouwdheid, de eigenheid, daar zijn de dingen van jezelf.

Ben je ergens gast of vreemdeling, dan heb je ergens anders je thuis dan waar je bent. Mensen die op vakantie zijn hebben dat. Asielzoekers en vluchtelingen hebben dat. En als je noodzakelijk moest verhuizen kun je dat een hele poos houden, ook al ben je omringd door je eigen spullen.

Gelovigen zijn ten diepste mensen die op de aarde gasten en vreemdelingen zijn. Ook al voelen ze zich prima thuis in hun huis en in hun woonplaats. De aarde is voor hen een plek van doorreis. Ze hebben hun eigenlijke thuis bij God. God is degene bij wie ze hun vertrouwdheid, eigenheid en bezit hebben.

Nee, zo’n bestaan zoek je als mens niet. Het overkomt je veel meer. Zoals het Abraham, Izak en Jakob overkomen is. God is in hun leven gekomen. De HEERE maakte zich bekend en sprak tot hen. Hij legde de band van Zijn verbond met hen en beloofde hen een toekomst in Kanaän. En toen zijn ze vanwege God en Zijn spreken geëmigreerd vanuit hun land. En ze hebben in Kanaän gewoond. Maar aangezien God met de vervulling van Zijn belofte geen haast leek te maken, hebben ze hun leven lang Kanaän niet in bezit gekregen. Ze woonden er als vreemdeling. Maar sinds het spreken van God waren ze waren niet alleen vreemdeling in Kanaän, ze werden het ook in het land waar ze vandaan kwamen. Ze waren vreemdeling op de AARDE, zoals de tekst zegt.

Zo is God vandaag nog met mensen bezig. We horen Zijn woord. Zijn Geest werkt in ons. We zoeken de omgang met God in het gebed. En Hij raakt ons aan, verandert ons. En we weten het zelf niet te verklaren, maar God wordt steeds meer van belang voor ons. Meer dan ooit ontdekken we dat we door onze zonden van God vervreemd zijn geraakt. Maar juist zo komt de persoon van Jezus Christus steeds meer centraal te staan in ons denken en willen. Hij is van de hemel naar de aarde geemigreerd en daar vreemdeling geworden om ons weer eigen aan God te laten worden. In Hem ontdekken we ons heil. Verlangen naar meer kennis van God en nabijheid van God neemt toe. Hoe goed je het ook naar je zin hebt met veel dingen en veel mensen, je hebt toch een heimwee (Heimsucht=trek naar huis) naar God.

Het maakt dat deze wereld niet meer goed bij je past. Haar gewoonten, manieren en principes zijn de jouwe niet. Gegrepen door God wil je leven naar Zijn geboden en handelen naar Zijn wil. “Ik ben een vreemdeling op de aarde” (Ps. 119:19) zeg je mee. Mensen snappen je soms niet en vinden je vreemd. Ondertussen wil je je helemaal niet van hen vervreemden. Je wilt hen juist graag meenemen in de richting van het leven met God. Je ondervindt zelf dat je thuis hoort bij God en dat het ellendig is (voor henzelf nog het meest!) als mensen dat niet meemaken.

Ondertussen ben je bepaald niet ongelukkig als gast een vreemdeling op de aarde. Want God heeft je geroepen en je Zijn beloften meegegeven. En daar houdt Hij zich aan. Voor onderweg is het: “Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verlaten.” (Hebr. 13:5). En voor de toekomst is het: “Als Ik zal heengegaan zijn, zal Ik tot u wederkomen en u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt waar Ik ben.” (Joh. 14:3)
Zodoende ben je ook als gast en vreemdeling goed verzorgd. En je mag het meezeggen: “Want schoon ik zelfs van vader en van moeder verlaten ben, de Heere is goed en groot; Hij is en blijft mijn Vader en Behoeder.” (Psalm 27). En als je met Vader onderweg bent, ben je dan eigenlijk niet overal Thuis?

Ds. A. de Lange

 

Inloggen

Registreren