• 11

Identiteit

  • Grondslag

    • 1. De Bijbel, het Woord van God

      Het fundament van de gemeente kan samengevat worden in één Naam: Jezus Christus. Hij is het Hoofd. Voor de uitwerking van deze ene Naam zijn we aangewezen op het Woord van onze God: de Bijbel. In dit Woord vinden we werkelijk alles wat we nodig hebben voor vandaag en de toekomst, samengevat in het woord zaligheid. De Bijbel vormt daarom het absolute uitgangspunt voor ons gemeente-zijn.

      De grondslag van onze wijkgemeenten is de bijbel als zijnde het onfeilbare Woord van God, gezaghebbend voor leer en leven. Zie verder "De identiteit van onze wijkgemeenten" in het beleidsplan van wijk 2 en 7.

    • 2. Belijdenisgeschriften

      Bestudering van de Bijbel is cruciaal voor ons gemeente-zijn. Maar ons geloof wordt ook vertolkt in eeuwenoude belijdenisgeschriften. U kunt ze op deze pagina's lezen.

  • Beleidsplan wijk 2 en 7

    Hier kunt u het beleidsplan van de Hervormde wijkgemeente 2 en 7 te Dordrecht inzien. De wijkkerkenraden hebben besloten tot een gezamenlijk beleidsplan, omdat fundament en uitgangspunten van hun beleid gelijk zijn.

    Open hier het beleidsplan 2016-2020.

  • Apostolische Geloofsbelijdenis

    De apostolische geloofsbelijdenis (ook wel (Symbolum) Apostolicum genoemd of De Twaalf Artikelen van het Geloof) is een van de centrale geloofsbelijdenissen uit het christendom. De apostolische geloofsbelijdenis is de eenvoudigste van de geloofsbelijdenissen. De belijdenis is langzaamaan ontstaan uit onder andere verzen uit de bijbel en rond 170 is de eerste bekende versie op schrift gezet.

    Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper van de hemel en van de aarde.
    En in Jezus Christus, zijn eniggeboren Zoon, onze Heere;
    Die ontvangen is van den Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria;
    Die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle;
    ten derden dage wederom opgestaan van de doden;
    opgevaren ten hemel, zittende ter rechterhand Gods des almachtigen Vaders;
    van waar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden.
    Ik geloof in den Heiligen Geest.
    Ik geloof één heilige, algemene, Christelijke Kerk, de gemeenschap der heiligen;
    vergeving van de zonden;
    wederopstanding van het vlees;
    en een eeuwig leven.
  • Geloofsbelijdenis van Nicea

    Belijdenis des Geloofs, gesteld in de kerkvergadering van Nicéa. In het jaar 325 na de geboorte van Christus.

    Ik geloof in één God, den almachtigen Vader, Schepper des hemels en der aarde, aller zienlijke en onzienlijke dingen.
    En in één Heere Jezus Christus, den eniggeboren Zoon van God, geboren uit den Vader, vóór alle eeuwen; God uit God,
    Licht uit Licht, waarachtig God uit waarachtig God; geboren, niet gemaakt, van hetzelfde Wezen met den Vader, door
    Wien alle dingen gemaakt zijn. Die om ons mensen en om onze zaligheid, is nedergekomen uit den hemel, en vlees is
    geworden van den Heiligen Geest uit de maagd Maria, en een mens geworden is; ook voor ons gekruisigd is onder Pontius
    Pilatus, geleden heeft, en begraven is; en ten derden dage opgestaan is naar de Schriften, en opgevaren is ten hemel;
    zit ter rechterhand des Vaders, en zal wederkomen met heerlijkheid, om te oordelen de levenden en de doden; wiens rijk
    geen einde zal hebben.
    En in den Heiligen Geest, die Heere is en levend maakt, die van den Vader en den Zoon uitgaat,
    die te zamen met den Vader en den Zoon aangebeden en verheerlijkt wordt, die gesproken heeft door de Profeten.
    En één, heilige, algemene en Apostolische Kerk. Ik belijd één Doop tot vergeving der zonden, verwacht de opstanding
    der doden en het leven der toekomende eeuw.
    Amen.

  • Geloofsbelijdenis van Athanasius

    Geloofsvorm en bekentenis van den heilige Athanasius, bisschop van Alexandrië. Geschreven in het jaar 333 na de geboorte van Christus.

    Zo wie wil zalig zijn, dien is vóór alle dingen nodig, dat hij het algemeen geloof houde.
    Zo iemand dit niet geheel en ongeschonden bewaart, die zal zonder twijfel eeuwig verloren gaan.
    Het algemeen geloof is dit, dat wij den Enigen God in de Drieheid, en de Drieheid in de Eenheid eren.
    Zonder de Personen te vermengen, of het wezen en de zelfstandigheid te delen.
    Want de Persoon des Vaders is een ander, die des Zoons is een ander, die des Heiligen Geestes is een ander.
    Maar de Vader, en de Zoon, en de Heilige Geest, hebben één Godheid, gelijke eer en gelijke heerlijkheid.
    Hoedanig de Vader is, zodanig is ook de Zoon, zodanig is ook de Heilige Geest.
    De Vader is ongeschapen; de Zoon is ongeschapen; de Heilige Geest is ongeschapen.
    Onmetelijk is de Vader, onmetelijk is de Zoon, onmetelijk is de Helige Geest.
    De Vader is eeuwig; de Zoon is eeuwig; de Heilige Geest is eeuwig.
    Nochtans zijn het niet drie eeuwigen, maar het is één eeuwige.
    Gelijk het ook niet drie ongeschapenen of drie onmetelijken zijn, maar één ongeschapene en één onmetelijke is.
    Desgelijks is de Vader almachtig, de Zoon almachtig, de Heilige Geest almachtig.
    En nochtans zijn het niet drie almachtigen, maar het is één almachtige.
    Alzo is ook de Vader God, de Zoon God, de Heilige Geest God.
    En nochtans zijn het niet drie Goden, maar het is één God.
    Alzo is de Vader Heer, de Zoon Heere, de Heilige Geest Heere.
    En nochtans zijn het niet drie Heeren, maar het is één Heere.
    Want gelijk wij door de Christelijke waarheid genoodzaakt worden, een iegelijken Persoon afzonderlijk
    God of Heere te noemen;
    Alzo is ons ook door het algemeen geloof verboden drie Goden of Heeren te belijden.
    De Vader is van niemand gemaakt, noch geschapen, noch gegenereerd.
    De Zoon is van den Vader alleen, niet gemaakt, noch geschapen, maar gegenereerd.
    De Heilige Geest is van den Vader en den Zoon, niet gemaakt noch geschapen, noch gegenereerd, maar uitgegaan.
    Zo is er dan één Vader, niet drie Vaders; één Zoon, niet drie Zonen; één Heilige Geest, niet drie Heilige Geesten.
    En in deze Drieheid is niet eerst of laatst, niet meest of minst;
    Maar de ganse drie Personen hebben gelijke eeuwigheid, en zijn zichzelf alleszins gelijk.
    Zodat alom (gelijk nu gezegd is) de Eénheid in de Drieheid en de Drieheid in de Eénheid te eren zij.
    Daarom zo iemand zalig wil worden, die moet aldus van de Drievuldigheid geloven.
    Maar het is tot de eeuwige zaligheid nodig, dat hij ook de menswording van onzen Heere Jezus Christus getrouwelijk gelove.
    Zo is dan het rechte geloof, dat wij geloven en belijden, dat onze Heere Jezus Christus, Gods Zoon, God en mens is.
    Hij is God, uit de zelfstandigheid des Vaders vóór alle tijden gegenereerd; en mens uit de zelfstandigheid
    zijner moeder in den tijd geboren.
    Volkomen God, volkomen mens, hebbende een redelijke ziel en menselijk vlees.
    Den Vader gelijk naar de Godheid, minder dan de Vader naar de mensheid.
    Die, hoewel Hij God en mens is, zo is Hij nochtans niet twee, maar één Christus.
    Hij is één, niet door verandering der Godheid in het vlees, maar door de aanneming der mensheid in God.
    Hij is één, niet door vermenging der zelfstandigheid, maar door éénheid des Persoons.
    Want gelijk de redelijke ziel en het vlees één zijn, alzo is God en mens één Christus.
    Die geleden heeft om onze zaligheid; nedergedaald is ter helle; ten derden dage weder is opgestaan van de doden;
    Opgevaren is ten hemel; zittende ter rechterhand Gods, des almachtigen Vaders;
    En van daar zal komen om te oordelen de levenden en de doden;
    Bij wiens komst alle mensen weder zullen opstaan met hun lichamen;
    En van hun eigen werken rekenschap geven.
    En die goed gedaan hebben, zullen in het eeuwige leven gaan, maar die kwaad gedaan hebben, in het eeuwige vuur.
    Dit is het algemeen geloof, hetwelk, indien iemand het niet getrouw en vast gelooft, die zal niet kunnen zalig worden.
  • Nederlandse Geloofsbelijdenis

    Nederlandse Geloofsbelijdenis der Gereformeerde Kerken in Nederland, overgezien in de Nationale Synode, gehouden te Dordrecht, in de jaren 1618 en 1619.
    Deze belijdenis van het Geloof is geschreven door Guido de Brès (1522-1567).

    Voorwoord bij de Nederlandse Geloofsbelijdenis

    'De gelovigen die in de Nederlanden zijn, welke begeren te leven naar de ware reformatie van het Evangelie van onze Heere Jezus Christus, aan de onoverwinlijke koning Philips, hun overste Heer.
    Indien het ons geoorloofd was, o genadigste Heer, voor uwe Majesteit te verschijnen om ons te verdedigen tegen de beschuldigingen waarmee men ons belast, dan zouden wij dit heimelijke middel niet zoeken om u het bitter zuchten van uw volk door een geschreven belijdenis te doen kennen. Maar omdat onze vijanden u de oren met zoveel valse aanklachten en berichten vervuld hebben, dat ons niet alleen belet wordt voor uw aangezicht te verschijnen, maar wij ook worden verjaagd uit uw landen, vermoord en verbrand op elke plaats waar men ons vindt - verleen ons tenminste, wat geen mens zelfs aan de dieren kan weigeren, namelijk dat ons klagelijk roepen als van verre tot uw oren komt, opdat, indien uwe Majesteit na ons gehoord te hebben, ons schuldig oordeelt, de brandstapels dan vermeerderd, de pijnigingen vermenigvuldigd worden in uw koninkrijk. En daarentegen, indien onze onschuld u blijkt, dat gij ons dan tot een steun en toevlucht tegen het geweld van onze vijanden moogt zijn.

    Want helaas, indien men niets anders behoeft te doen dan beschuldigen, en alle mogelijkheid van bescherming aan de beschuldigden onthouden wordt, wie zal dan rechtvaardig bevonden worden? Wij zijn, zo zegt men, ongehoorzame oproerlingen die niets anders begeren dan alle staatkundige orde af te breken, verwarring in de wereld teweeg te brengen en niet alleen ons vrij te maken van uw gezag en macht, maar zelfs u de scepter uit de hand te rukken. Misdaden, onwaardig aan onze belijdenis, een Christen onwaardig, ieder mens onwaardig, maar waard, dat de oude zegswijze van de tirannen herhaald wordt: de Christenen voor de beesten! Doch men mag niet volstaan met te beschuldigen, het komt aan op het bewijs. De profeten, de apostelen en ook de leden van de eerste Kerk van Jezus Christus zijn bezwaard en, naar het uiterlijk en naar het vleselijk oordeel van de mensen, verdrukt met gelijke lasteringen. Maar evenals zij in hun tijd openlijk getuigd en geprotesteerd hebben, zo protesteren en betuigen wij nu voor God en Zijn engelen, dat wij niets meer begeren dan gehoorzaam aan de overheden in zuiverheid van geweten te leven. God te dienen en ons naar Zijn Woord en heilige geboden te hervormen. Want wij hebben zowel door Gods Woord als door de voortdurende onderwijzing van onze leraars geleerd, dat de overheden door God verordend zijn en dat wie de overheid weerstaat, de instelling Gods weerstaat en veroordeeld zal worden. En om te bewijzen, dat dit niet alleen in onze monden ligt, maar in het diepst van onze harten is ingedrukt en ingeprent - wie is er ooit onder ons gevonden, die u, genadigste Heer, de belasting geweigerd heeft, die hem opgelegd was? Integendeel is de gehoorzaamheid in een ieder van ons even snel geweest om te betalen als het gebod.
    De verbanningen, gevangenissen, pijnbanken, ballingschappen, pijnigingen en andere, ontelbare verdrukkingen bewijzen wel, dat onze begeerte en gezindheid niet vleselijk is. Naar het vlees zouden wij het immers veel gemakkelijker kunnen hebben zonder deze leer voor te staan. Maar met de vreze Gods voor ogen en opgeschrikt door de waarschuwing van Jezus Christus, Die zegt ons te zullen vervloeken voor God en Zijn Vader indien wij Hem voor de mensen verloochenen, bieden wij onze rug aan de slagen, de tongen aan de messen en het gehele lichaam aan het vuur, omdat wij weten dat wie Christus wil volgen, zijn kruis moet opnemen en zichzelf verloochenen.
    Nimmer zal in een geest die niet van zijn zinnen beroofd is, de gedachte opkomen dat zij die hun land, familie en vrienden verlaten om in vrede en stilheid te leven, of die sterven voor het Evangelie, alles willen verstoren. Terwijl zij hun lichamen en goederen offeren en overgeven aan de koning, bidden zij zijne Majesteit ootmoedig dat hun toegestaan wordt Gode te geven wat Hij eist en wat wij Hem met recht niet kunnen weigeren, omdat Hij ons tot de Zijnen gemaakt heeft en ons voor Zich verworven voor een hoge en dure prijs.
    Denk niet dat het slechts om ons klein getal is dat wij niet tegen u opstaan; alsof een ieder van ons in zijn hart ongehoorzaam en oproerig is en slechts op een groter aantal wacht om te velde te trekken, u aan te vallen en zijn woede bot te vieren. Wij verzekeren u, genadigste Heer, dat er in uw Nederlanden meer dan honderdduizend mannen zijn, die de religie waarvan wij u thans de belijdenis aanbieden, houden en volgen; en toch wordt bij niemand van hen enig voorbereidsel van opstand gezien en zelfs is nooit een woord van die strekking van hun kant gehoord.
    Dat wij u het grote aantal van onze broeders noemen, genadigste Heer, is niet om uw ambtenaren en dienaren schrik of vrees aan te jagen, maar om u tot barmhartigheid op te wekken. Want helaas, indien gij uw arm uitstrekt om hem in het bloed van zoveel mensen te dopen en te wassen, o, welk een verwoesting zult gij dan onder uw onderdanen teweegbrengen, wat voor wonden in uw volk, wat voor tranen, zuchten, kermen van vrouwen, kinderen, verwanten en vrienden. En intussen dwalen hun vrouwen, indien zij al zijn ontsnapt, in vreemde landen rond van deur tot deur, met de kinderen aan hun hals.
    En omdat men ons vervolgt niet alleen als ware vijanden van uw troon en van de publieke zaak, maar ook als vijanden van God en Zijn Kerk, bidden wij u ootmoedig zulks te willen beoordelen naar de belijdenis van het geloof, die wij u aanbieden, terwijl wij bereid en gereed zijn die, zo nodig, met ons eigen bloed te bezegelen.
    Uit deze belijdenis zult gij, naar wij hopen, vernemen dat men ons ten onrechte verscheurders der eenheid, oproerlingen en ketters noemt.
    Wij beven, verschrikt door de dreigementen van hen die macht hebben ons lichaam tot as te maken. Maar van de andere kant horen wij dat de apostel zegt dat zo een engel uit de hemel komt en ons iets anders dan het Evangelie verkondigt, hij vervloekt zal zijn. Kortom, wij zien dat ons geboden wordt alleen het Woord Gods te volgen en niet wat onszelf goeddunkt met verbod iets toe te voegen aan of af te doen van de heilige geboden van de grote God
    Maar helaas, genadigste Heer, merk op, dat de wereld nooit geweest is zonder het licht te haten en tegen de waarheid op te staan. Hierbij komt de ondankbaarheid der wereld, die in plaats van met dankzegging het Woord van haar Meester, Herder en God aan te nemen, zich er tegen te weer stelt.Aan u is het, genadigste Heer, om kennis te nemen van deze zaken, u met kracht te verzetten tegen de dwalingen, en de onschuld te beschermen van hen die tot nu toe in hun recht verdrukt zijn.
    Zo moge de Heere u zegenen en behoeden, Hij doe Zijn aangezicht over u lichten! Amen.
    Omhoog.

    Artikelen van de Nederlandse Geloofsbelijdenis

    Artikel 1. De enige God.

    Wij geloven allen met het hart en belijden met de mond, dat er één God is, een geheel enig en éénvoudig wezen. Hij is eeuwig, niet te doorgronden, onzienlijk, onveranderlijk, oneindig, almachtig. Hij is volkomen wijs, rechtvaardig en goed en een zeer overvloedige bron van al het goede.

    Artikel 2. Hoe wij God kennen.

    Wij kennen Hem door twee middelen.
    Ten eerste door de schepping, onderhouding en regering van de hele wereld. Want deze is voor onze ogen als een prachtig boek, waarin alle schepselen, groot en klein, de letters zijn, die ons te aanschouwen geven wat van God niet gezien kan worden, namelijk Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, zoals de apostel Paulus zegt in Rom 1:20. Dit alles is voldoende om de mensen te overtuigen en hun elke verontschuldiging te ontnemen.
    Ten tweede maakt Hij Zichzelf nog duidelijker en volkomener aan ons bekend door Zijn heilig en goddelijk Woord, namelijk voor zover dat voor ons in dit leven nodig is tot Zijn eer en tot behoud van de zijnen.

    Artikel 3. Het Woord van God.

    Wij belijden dat dit Woord van God niet is voorgekomen uit de wil van een mens, maar dat mensen, door de Heilige Geest gedreven, van Godswege gesproken hebben, zoals de apostel Petrus zegt 2 Pe 1:21.
    Daarna heeft God in Zijn bijzondere zorg voor ons en ons behoud Zijn knechten, de profeten en apostelen, geboden zijn geopenbaarde Woord op Schrift te stellen, en zelf heeft Hij met Zijn vinger de twee tafelen van de wet geschreven. Hierom noemen wij zulke geschriften heilige en goddelijke Schriften.

    Artikel 4. De canonieke boeken.

    Wij onderscheiden in de Heilige Schrift twee delen: het Oude en het Nieuwe Testament. Dit zijn canonieke boeken, waartegen niets valt in te brengen. Hiertoe worden in Gods kerk gerekend: de boeken van het Oude Testament: de vijf boeken van Mozes, namelijk Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri, Deuteronomium; Jozua, Richteren, Ruth, 1 en 2 Samuel, 1 en 2 Koningen, 1 en 2 Kronieken, Ezra, Nehemia, Ester, Job, de Psalmen van David, de drie boeken van Salomo, namelijk Spreuken, Prediker en Hooglied; de vier grote profeten: Jesaja, Jeremia (met de Klaagliederen), Ezechiël en Daniël; vervolgens de twaalf kleine profeten: Hosea, Joël, Amos, Obadja, Jona, Micha, Nahum, Habakuk, Sefanja, Haggai, Zacharia en Maleachi.
    De boeken van het Nieuwe Testament: de vier evangelisten Mattheüs, Marcus, Lukas en Johannes; de Handelingen der Apostelen; de dertien brieven van de apostel Paulus, namelijk aan de Romeinen, twee aan de Korintiërs, aan de Galaten, aan de Efeziërs, aan de Filippenzen, aan de Kolossenzen, twee aan de Tessalonicenzen, twee aan Timoteüs, aan Titus, aan Filemon; de brief aan de Hebreeën; de zeven overige brieven, namelijk de brief van Jakobus, twee brieven van Petrus, drie van Johannes, de brief van Judas; de Openbaring van de apostel Johannes.

    Artikel 5. Het gezag van de Heilige Schrift.

    Wij ontvangen al deze boeken, en deze alleen, als heilig en canoniek om ons geloof daarnaar te richten, daarop te gronden en daarmee te bevestigen. En zonder in enig opzicht te twijfelen geloven wij alles wat zij bevatten. Dat doen wij niet zozeer omdat de kerk ze aanneemt en als canoniek erkent, maar vooral omdat de Heilige Geest in ons hart getuigt dat zij van God zijn. Het bewijs daarvan ligt bovendien in de boeken zelf. Want zelfs blinden kunnen tasten dat de dingen die erin voorzegd zijn, gebeuren.

    Artikel 6. Het onderscheid tussen de canonieke en de apocriefe boeken.

    Wij onderscheiden deze heilige boeken van de apocriefe, namelijk het derde en vierde boek van Ezra, het boek Tobias, Judit, het boek Wijsheid, Jezus Sirach, Baruch, de Toevoegingen aan het boek Ester, het Gebed van de drie mannen in het vuur, de Geschiedenis van Susanna, van Bel en de draak, het Gebed van Manasse en de twee boeken van de Makkabeeën. De kerk mag deze boeken wel lezen en ervan leren, voor zover zij overeenstemmen met de canonieke boeken. Zij hebben echter niet zo'n kracht en gezag, dat men door het getuigenis van deze boeken enig punt van het geloof of van de christelijke godsdienst zou kunnen bevestigen; laat staan dat zij het gezag van de andere, de heilige boeken, zouden kunnen verminderen.

    Artikel 7. De volkomenheid van de Heilige Schrift.

    Wij geloven dat deze Heilige Schrift de wil van God volkomen bevat en voldoende leert al wat de mens moet geloven om behouden te worden. Daarin heeft God uitvoerig beschreven op welke wijze wij Hem moeten dienen. Daarom is het de mensen, zelfs al waren het apostelen, niet geoorloofd anders te leren dan ons reeds geleerd is door de Heilige Schrift; zelfs niet een engel uit de hemel, zoals de apostel Paulus zegt in Galaten 1:8. Het is verboden aan het Woord van God iets toe te voegen of daarvan af te doen (Deut 12:32) Daaruit blijkt duidelijk dat wat daarin geleerd wordt, volmaakt en in alle opzichten volledig is.
    Men mag ook geen geschriften van mensen, hoe heilig de schrijvers ook geweest zijn, op één lijn stellen met de goddelijke Schriften, ook de gewoonte niet met Gods waarheid - want de waarheid gaat boven alles -; evenmin het grote aantal, de ouderdom, de ononderbroken voortgang in de tijden of de opvolging van personen, of de concilies, decreten of besluiten. Want alle mensen zijn uit zichzelf leugenaars en ijdeler dan de ijdelheid zelf. Daarom verwerpen wij uit de grond van ons hart alles wat met deze onfeilbare regel niet overeenkomt. Zo hebben de apostelen het ons geleerd: Beproeft de geesten of zij uit God zijn (1 Joh. 4:1) En: Indien iemand tot u komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in uw huis (2 Joh. 1:10).

    Artikel 8. De Heilige Drieëenheid.

    Volgens deze waarheid en dit Woord van God geloven wij in één God, die een geheel enig wezen is, waarin drie Personen zijn, namelijk de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Deze zijn werkelijk en van eeuwigheid onderscheiden naar hun onmededeelbare eigenschappen. De Vader is de oorzaak, de oorsprong en het begin van alle zichtbare en onzichtbare dingen. De Zoon is het Woord, de wijsheid en het beeld van de Vader. De Heilige Geest is de eeuwige kracht en macht, die uitgaat van de Vader en van de Zoon. Uit dit onderscheid volgt echter niet dat God in drieën gedeeld is. Want de Heilige Schrift leert ons dat de Vader en de Zoon en de Heilige Geest wel ieder hun eigen zelfstandigheid hebben, onderscheiden door haar eigenschappen, maar toch zo, dat deze drie Personen slechts één God zijn. Het is dus duidelijk dat de Vader niet de Zoon is en dat de Zoon niet de Vader is; dat eveneens de Heilige Geest niet de Vader of de Zoon is. Toch zijn deze Personen, aldus onderscheiden, niet gedeeld of onderling vermengd. Want de Vader heeft ons vlees en bloed niet aangenomen en ook de Heilige Geest niet, maar alleen de Zoon. De Vader is nooit zonder de Zoon en nooit zonder zijn Heilige Geest geweest, want Zij zijn alle drie even eeuwig in eenzelfde wezen. Er is geen eerste of laatste, want Zij zijn alle drie één in waarheid, in macht, in goedheid en barmhartigheid.

    Artikel 9. Het getuigenis van de Schrift voor deze leer.

    Wij weten dit alles zowel uit het getuigenis van de Heilige Schrift als uit de werkingen van deze Personen, voornamelijk uit die welke wij in onszelf ervaren. Het getuigenis van de Heilige Schriften dat ons leert deze Heilige Drieenheid te geloven, is op vele plaatsen in het Oude Testament te vinden. We behoeven ze niet op te sommen, maar dienen slechts een zorgvuldige keus te maken.
    In Gen 1:26-27 zegt God: Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, enzovoort. En God schiep de mens naar zijn beeld, man en vrouw schiep Hij hen. Eveneens in Gen 3:22: Zie, de mens is geworden als Onzer één. Daaruit blijkt dat er meer dan één Persoon in de Godheid is, want Hij zegt: Laat Ons mensen maken naar ons beeld; en Hij wijst daarna de eenheid aan, als Hij zegt: God schiep. Weliswaar zegt Hij niet hoeveel Personen er zijn, maar wat voor ons enigszins duister is in het Oude Testament, dat is zeer helder in het Nieuwe. Want toen onze Heer gedoopt werd in de Jordaan, werd de stem van de Vader gehoord, die zei: Deze is mijn Zoon, de geliefde (Mat 3:17); terwijl de Zoon werd gezien in het water en de Heilige Geest verscheen in de gedaante van een duif.
    Bovendien heeft Christus voor de doop van alle gelovigen deze formule gegeven: Doopt al de volken in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest (Matth 28: 19) In het Evangelie naar Lucas spreekt de engel Gabriël tot Maria, de moeder van de Heer, aldus: De Heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom zal ook het heilige dat verwekt wordt, Zoon van God genoemd worden (Luk. 1:35). Eveneens: De genade van de Heer Jezus Christus en de liefde van God en de gemeenschap van de Heilige Geest zij met u (2 Cor. 13:13). En: De Vader, het Woord en de Heilige Geest, en deze drie zijn één (1 Joh. 5:7) Op al deze plaatsen wordt ons duidelijk geleerd dat er drie Personen zijn in één enig goddelijk Wezen. En hoewel deze leer het menselijk verstand ver te boven gaat, geloven wij die nu op grond van het Woord en verwachten wij dat wij de volle kennis en vrucht ervan in de hemel zullen genieten. Verder moeten wij ook letten op het eigen werk dat ieder van deze drie Personen aan ons verricht: de Vader wordt genoemd onze Schepper door zijn kracht; de Zoon is onze Heiland en Verlosser door zijn bloed; de Heilige Geest is onze Heiligmaker, doordat Hij woont in ons hart.
    Deze leer van de Heilige Drieëenheid heeft de ware kerk altijd gehandhaafd, van de tijd van de apostelen af tot nu toe, tegenover joden, mohammedanen en valse christenen en ketters als Marcion, Mani, Praxeas, Sabellius, Paulus van Samosata, Arius en dergelijke. De vaderen hebben hen terecht veroordeeld. Daarom aanvaarden wij in dezen graag de drie oecumenische geloofsbelijdenissen, namelijk de Apostolische, die van Nicéa en van Athanasius, en eveneens wat de vaderen in overeenstemming daarmee hebben vastgesteld.

    Artikel 10. De Godheid van Jezus Christus.

    Wij geloven dat Jezus Christus naar zijn goddelijke natuur de eniggeboren Zoon van God is, van eeuwigheid voortgebracht. Hij is niet gemaakt of geschapen - want dan zou Hij een schepsel zijn - maar één van wezen met de Vader, mede-eeuwig, Hem in alles gelijk (Filp. 2:6). De Schrift noemt Hem: de afstraling van zijn heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen (Hebr. 1:3). Hij is Gods Zoon, niet alleen sinds Hij onze natuur heeft aangenomen, maar van alle eeuwigheid. De volgende getuigenissen leren ons dat, wanneer wij ze met elkaar vergelijken. Mozes zegt dat God de wereld heeft geschapen, Gen 1:1 en de apostel Johannes zegt dat alle dingen zijn geschapen door het Woord, dat hij God noemt (Joh. 1:1-3). De apostel zegt dat God de wereld door zijn Zoon geschapen heeft (Hebr. 1:2) en eveneens dat God alle dingen door Jezus Christus geschapen heeft (Col. 1:16). Daarom moet Hij die genoemd wordt God, het Woord, de Zoon en Jezus Christus, er reeds geweest zijn, toen alle dingen door Hem geschapen werden. De profeet Micha zegt dan ook: Zijn oorsprong is van ouds, van de dagen der eeuwigheid (Mic 5:1). En de apostel: Hij is zonder begin van dagen of einde van leven (Hebr. 7:3). Zo is Hij dan de ware, eeuwige God, die Almachtige die wij aanroepen, aanbidden en dienen.

    Artikel 11. Dat de Heilige Geest waarachtig en eeuwig God is.

    Wij geloven en belijden ook dat de Heilige Geest van eeuwigheid van den Vader en den Zoon uitgaat; niet zijnde gemaakt, noch geschapen, noch ook geboren, maar alleen van Beiden uitgaande; Welke in orde is de derde Persoon der Drievuldigheid, van éénzelfde wezen, majesteit en heerlijkheid met den Vader en den Zoon; zijnde waarachtig en eeuwig God, gelijk ons de Heilige Schriften leren.

    Artikel 12. Van de schepping aller dingen en met name der engelen.

    Wij geloven dat de Vader door Zijn Woord, dat is door Zijn Zoon, den hemel, de aarde en alle schepselen uit niet heeft geschapen, wanneer het Hem heeft goedgedacht, aan een iegelijk schepsel zijn wezen, gestalte en gedaante, en onderscheidene ambten gevende, om zijn Schepper te dienen. Dat Hij ze ook nu alle onderhoudt en regeert naar Zijn eeuwige voorzienigheid en door Zijn oneindige kracht, om den mens te dienen, ten einde de mens zijn God diene. Hij heeft ook de engelen goed geschapen, om Zijn zendboden te zijn en Zijn uitverkorenen te dienen; van welke sommigen van die uitnemendheid, in dewelke hen God geschapen had, in het eeuwig verderf vervallen zijn, en de anderen door de genade Gods in hun eersten staat volhard hebben en staande gebleven zijn. De duivelen en boze geesten, zijn alzo verdorven, dat zij vijanden Gods en alles goeds zijn; naar al hun vermogen als moordenaars loerende op de Kerk en een ieder lidmaat van die, om alles te verderven en te verwoesten door hun bedriegerijen; en zijn daarom door hun eigen boosheid veroordeeld tot de eeuwige verdoemenis, dagelijks verwachtende hun schrikkelijke pijnigingen. Zo verwerpen en verfoeien wij dan hierin de dwaling de Sadduceeën, welke loochenen dat er geesten en engelen zijn; en ook de dwaling der Manicheeën, die zeggen dat de duivelen hun oorsprong uit zichzelven hebben, zijnde uit hun eigen natuur kwaad, zonder dat zij verdorven zijn geworden.

    Artikel 13. Van de voorzienigheid Gods en regering aller dingen.

    Wij geloven dat die goede God, nadat Hij alle dingen geschapen had, deze niet heeft laten varen, noch aan het geval of de fortuin overgegeven, maar ze naar Zijn heiligen wil alzo stiert en regeert, dat in deze wereld niets geschiedt zonder Zijn ordinantie; hoewel nochtans God noch auteur is, noch schuld heeft van de zonde die er geschiedt. Want Zijn macht en goedheid is zo groot en onbegrijpelijk, dat Hij zeer wel en rechtvaardiglijk Zijn werk beschikt en doet, ook wanneer de duivelen en goddelozen onrechtvaardiglijk handelen. En aangaande hetgeen Hij doet boven het begrip des menselijken verstands, datzelve willen wij niet curieuslijk (=te nieuwsgierig) onderzoeken, meer dan ons begrip verdragen kan; maar wij aanbidden met alle ootmoedigheid en eerbied de rechtvaardige oordelen Gods, die ons verborgen zijn; ons tevreden houdende dat wij leerjongeren van Christus zijn, om alleen te leren hetgeen Hij ons aanwijst in Zijn Woord, zonder deze palen te overtreden.
    Deze lering geeft ons een onuitsprekelijke troost, als wij door haar geleerd worden dat ons niets bijgeval overkomen kan, maar door de beschikking van onze goedertieren hemelsen Vader, Die voor ons waakt met een Vaderlijke zorg, houdende alle schepselen onder Zijn heerschappij, alzo dat niet één haar van ons hoofd (want die zijn alle geteld), ook niet één musje op de aarde vallen kan zonder den wil onzes Vaders (Mat. 10:29-30). Waarop wij ons verlaten, wetende dat Hij de duivelen in den toom houdt en al onze vijanden, die ons zonder Zijn toelating en wil niet schaden kunnen.
    En hierin verwerpen wij de verdoemelijke dwaling der Epicureeën, dewelke zeggen dat Zich God nergens mede bemoeit en alle dingen bij geval laat geschieden.

    Artikel 14. Van de schepping en val des mensen en zijn onvermogen tot het ware goed.

    Wij geloven dat God den mens geschapen heeft van het stof der aarde, en heeft hem gemaakt en geformeerd naar Zijn beeld en gelijkenis, goed, rechtvaardig en heilig; kunnende met zijn wil in alles overeenkomen met den wil Gods. Maar als hij in eer was, zo heeft hij het niet verstaan, noch zijn uitnemendheid erkend; maar heeft zichzelven willens der zonde onderworpen, en overzulks den dood en vervloeking, het oor biedende aan het woord des duivels. Want het gebod des levens, dat hij ontvangen had, heeft hij overtreden, en heeft zich van God, Die zijn ware leven was, door de zonde afgescheiden; hebbende zijn gehele natuur verdorven; waardoor hij zich schuldig gemaakt heeft des lichamelijken en geestelijken doods. En in al zijn wegen goddeloos, verkeerd en verdorven geworden zijnde, heeft hij verloren al zijn uitnemende gaven, die hij van God ontvangen had, en heeft niet anders overig behouden dan kleine overblijfselen daarvan, dewelke genoegzaam zijn om den mens alle onschuld te benemen; overmits al het licht dat in ons is, in duisternis veranderd is, gelijk de Schrift ons leert, zeggende: Het Licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft Hetzelve niet begrepen (Joh. 1:5); alwaar de heilige Johannes de mensen duisternis noemt. Daarom verwerpen wij al wat men hiertegen leert van den vrijen wil des mensen, aangezien de mens niet dan een slaaf der zonde is, en geen ding kan aannemen zo het hem uit den hemel niet gegeven zij (Joh 3:27). Want wie is er, die zich beroemen zal iets goeds te kunnen doen als uit zichzelven, daar toch Christus zegt: Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader Die Mij gezonden heeft, hem trekke (Joh. 6:44)? Wie zal met zijn wil voorkomen, die daar verstaat dat het bedenken des vleses vijandschap is tegen God (Rom. 8:7)? Wie zal van zijn wetenschap spreken, ziende dat de natuurlijke mens niet begrijpt de dingen die des Geestes Gods zijn (1Cor. 2:14)? Kortelijk, wie zal enige gedachte voorstellen, dewijl hij verstaat dat wij niet bekwaam zijn van onszelven iets te denken als uit onszelven, maar dat onze bekwaamheid uit God is (2Cor. 3:5)?
    En daarom, hetgeen de apostel zegt, behoort met recht vast en zeker gehouden te worden, dat God in ons werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen (Filp. 2:13). Want er is noch verstand, noch wil, den verstande en wille Gods gelijkvormig, of Christus heeft ze in den mens gewrocht; hetwelk Hij ons leert, zeggende: Zonder Mij kunt gij niets doen (Joh. 15:5).

    Artikel 15. Van de erfzonde.

    Wij geloven dat door de ongehoorzaamheid van Adam de erfzonde uitgebreid is geworden over het ganse menselijk geslacht; welke is een verdorvenheid der gehele natuur en een erfelijk gebrek, waarmede de kleine kinderen zelfs besmet zijn in hunner moeders lichaam, en die in den mens allerlei zonden voortbrengt, zijnde in hem als een wortel daarvan; en zij is daarom zo lelijk en gruwelijk voor God, dat zij genoegzaam is om het menselijk geslacht te verdoemen. Zij is ook zelfs door den Doop niet ganselijk tenietgedaan, noch geheel uitgeroeid, aangezien de zonde daaruit altijd als opwellend water uitspringt, gelijk uit een onzalige fontein; hoewel zij nochtans den kinderen Gods tot verdoemenis niet toegerekend, maar door Zijn genade en barmhartigheid vergeven wordt; niet om in de zonde gerust te slapen, maar opdat het gevoel van deze verdorvenheid de gelovigen dikwijls zou doen zuchten, verlangende om van het lichaam dezes doods verlost te worden. En hierin verwerpen wij de dwaling der Pelagianen, die zeggen dat deze zonde niet anders is dan uit navolging.

    Artikel 16. Van de eeuwige verkiezing Gods.

    Wij geloven, dat, het gehele geslacht van Adam door de zonde des eersten mensen in verderfenis en ondergang zijnde, God Zichzelven zodanig bewezen heeft als Hij is, te weten: barmhartig en rechtvaardig. Barmhartig: doordien Hij uit deze verderfenis trekt en verlost degenen die Hij in Zijn eeuwigen en onveranderlijken raad, uit enkele goedertierenheid, uitverkoren heeft in Jezus Christus, onzen Heere, zonder enige aanmerking hunner werken. Rechtvaardig: doordien Hij de anderen laat in hun val en verderf, waar zij zichzelven in geworpen hebben.

    Artikel 17. Van de wederoprichtig des gevallen mensen.

    Wij geloven dat onze goede God, door Zijn wonderlijke wijsheid en goedheid, ziende dat zich de mens alzo in den lichamelijken en geestelijken dood geworpen, en geheel ellendig gemaakt had, Zichzelven begeven heeft om hem te zoeken, toen hij al bevende voor Hem vlood, en heeft hem getroost, belovende hem Zijn Zoon te geven, Die worden zou uit een vrouw (Gal. 4:4), om den kop der slang te vermorzelen (Gen. 3:15), en hem gelukzalig te maken.

    Artikel 18. Van de menswording van Jezus Christus.

    Wij belijden dan dat God de belofte die Hij den oudvaderen gedaan had door de mond Zijner heilige profeten, volbracht heeft, zendende Zijn eigen eniggeboren en eeuwigen Zoon in de wereld, ten tijde door Hem bestemd. Dewelke eens dienstknechts gestaltenis aangenomen heeft, en den mens gelijk geworden is (Filp. 2:7), waarachtiglijk aannemende een ware menselijke natuur, met al haar zwakheden (uitgenomen de zonde), ontvangen zijnde in het lichaam der gelukzalige maagd Maria, door de kracht des Heiligen Geestes, zonder mans toedoen. En heeft niet alleen de menselijke natuur aangenomen, zoveel het lichaam aangaat, maar ook een ware menselijke ziel, opdat Hij een waar mens zou zijn. Want aangezien de ziel zowel verloren was als het lichaam, zo was het van node dat Hij ze beide aannam, om ze beide zalig te maken.
    Daarom belijden wij (tegen de ketterij der Wederdopers, die loochenen dat Christus menselijk vlees van Zijn moeder aangenomen heeft), dat Christus is deelachtig geworden des vleses en bloeds der kinderen (Hebr. 2:14); dat Hij een Vrucht der lendenen Davids is, zoveel het vlees aangaat (Hand. 2:30); geworden uit het zaad Davids naar het vlees (Rom. 1:3); een Vrucht des buiks van Maria (Luc. 1:42); geworden uit een vrouw (Gal. 4:4); een Spruite Davids (Jer. 33:15); een Scheut uit de wortelen van Isaï (Jes. 11:1); uit Juda gesproten (Hebr. 7:14); afkomstig van de Joden zoveel het vlees aangaat (Rom. 9:5); uit het zaad Abrahams, aangezien Hij aangenomen heeft het zaad Abrahams, en is Zijn broederen in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde (Hebr. 2:17 en 4:15); alzo dat Hij in der waarheid onze Immanuël is, dat is: God met ons (Matth. 1:23).

    Artikel 19. Van de vereniging en het onderscheid der twee naturen van Christus in één Persoon.

    Wij geloven dat door deze ontvangenis de Persoon des Zoons onafscheidelijk verenigd en te zamen gevoegd is met de menselijke natuur; zodat er niet zijn twee Zonen Gods, noch twee Personen, maar twee naturen in een enigen Persoon verenigd; doch elke natuur haar onderscheidene eigenschappen behoudende. Gelijk dan de Goddelijke natuur altijd ongeschapen gebleven is, zonder begin der dagen of einde des levens (Hebr. 7:3), vervullende hemel en aarde, alzo heeft de menselijke natuur haar eigenschappen niet verloren, maar is een schepsel gebleven, hebbende begin der dagen, zijnde een eindige natuur, en behoudende al hetgeen dat een waar lichaam toebehoort. En hoewel Hij haar door Zijn verrijzenis onsterfelijkheid gegeven heeft, nochtans heeft Hij de waarheid Zijner menselijke natuur niet veranderd, dewijl onze zaligheid en verrijzenis mede hangen aan de waarheid Zijns lichaams. Doch deze twee naturen zijn alzo te zamen verenigd in één Persoon, dat zij ook zelfs door Zijn dood niet gescheiden zijn geweest. Zo was dan hetgeen Hij stervende in de handen Zijns Vaders bevolen heeft, een ware menselijke geest, die uit Zijn lichaam scheidde; maar intussen bleef de Goddelijke natuur altijd verenigd met de menselijke, ook zelfs toen Hij in het graf lag; en de Godheid hield niet op in Hem te zijn, gelijk zij in Hem was toen Hij een klein kind was, hoewel zij zich voor een kleinen tijd zo niet openbaarde. Hierom bekennen wij dat Hij waar God en waar mens is; waar God, om door Zijn kracht den dood te overwinnen; en waar mens, opdat Hij voor ons zou kunnen sterven uit de zwakheid Zijns vleses.

    Artikel 20. God heeft Zijn rechtvaardigheid en barmhartigheid bewezen in Christus.

    Wij geloven dat God, Die volkomen barmhartig en rechtvaardig is, Zijn Zoon gezonden heeft om aan te nemen de natuur, in dewelke de ongehoorzaamheid begaan was, om in haar te voldoen en te dragen de straf der zonden door Zijn zeer bitter lijden en sterven. Zo heeft dan God Zijn rechtvaardigheid bewezen tegen Zijn Zoon, als Hij onze zonden op Hem gelegd heeft; en heeft uitgestort Zijn goedheid en barmhartigheid over ons, die schuldig en der verdoemenis waardig waren, voor ons gevende Zijn Zoon in den dood door een zeer volkomen liefde, en Hem opwekkende tot onze rechtvaardigmaking, opdat wij door Hem zouden hebben de onsterfelijkheid en het eeuwige leven.

    Artikel 21. Van de voldoening van Christus, onzen enigen Hogepriester, voor ons.

    Wij geloven dat Jezus Christus een eeuwige Hogepriester is, met ede (Hebr. 7:21), naar de ordening van Melchizédek, en Zichzelven in onzen naam voor Zijn Vader gesteld heeft, om Zijn toorn te stillen met volle genoegdoening, Zichzelven opofferende aan het hout des kruises, en vergietende Zijn dierbaar bloed tot reiniging onzer zonden, gelijk de profeten hadden voorzegd. Want er is geschreven dat de straf die ons den vrede aanbrengt, op den Zone Gods was, en dat door Zijn striemen ons genezing is geworden; Hij ter slachting geleid is als een lam; met de misdadigers gerekend (Jes. 53:5); en als een kwaaddoener veroordeeld door Pontius Pilatus, hoewel hij Hem onschuldig verklaard had. Zo heeft Hij dan wedergegeven, wat Hij niet geroofd had (Ps. 69:5), en heeft geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen (1Petr. 3:18); en dat zowel in Zijn lichaam als in Zijn ziel, gevoelende de schrikkelijke straf, die onze zonden verdiend hadden, zodat Zijn zweet werd gelijk droppelen bloeds, op de aarde aflopende (Luc. 22:44). Hij heeft geroepen: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Matth. 27:46) en heeft zulks alles geleden tot vergeving onzer zonden. Daarom zeggen wij wel terecht met Paulus, dat wij niet anders weten dan Jezus Christus, en Dien gekruisigd (1 Kor. 2:2); wij achten alle dingen voor drek, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus onzen Heere (Filp. 3:8); wij vinden allerlei vertroosting in Zijn wonden, en hebben niet van node enig ander middel te zoeken of uit te denken om ons met God te verzoenen, dan alleen deze enige offerande, eenmaal geschied, door welke de gelovigen in eeuwigheid volmaakt worden (Hebr. 10:14). Dit is ook de oorzaak, waarom Hij door den engel Gods genaamd is Jezus, dat is Zaligmaker, overmits Hij Zijn volk zou zalig maken van hun zonden (Matth. 1:21).

    Artikel 22. Van onze rechtvaardigmaking door het geloof in Jezus Christus.

    Wij geloven, dat, om ware kennis dezer grote verborgenheid te bekomen, de Heilige Geest in onze harten ontsteekt een oprecht geloof, hetwelk Jezus Christus met al Zijn verdiensten omhelst, Hem eigen maakt, en niets anders meer buiten Hem zoekt. Want het moet noodzakelijk volgen, òf dat niet al wat tot onze zaligheid van node is, in Jezus Christus zij; òf, zo het alles in Hem is, dat degene die Jezus Christus door het geloof bezit, zijn gehele zaligheid heeft. Nu, dat men zeggen zou dat Christus niet genoegzaam is, maar dat er nog benevens Hem iets meer toe behoeft, ware een al te ongeschikte godslastering; want daaruit zou volgen dat Christus maar een halve Zaligmaker ware. Daarom zeggen wij terecht met Paulus dat wij door het geloof alleen, of door het geloof zonder de werken gerechtvaardigd worden (Rom. 3:28). Doch wij verstaan niet dat het, om eigenlijk te spreken, het geloof zelf is, dat ons rechtvaardigt; want het is maar een instrument, waarmede wij Christus, onze rechtvaardigheid, omhelzen. Maar Jezus Christus, ons toerekenende al Zijn verdiensten en zo veel heilige werken, die Hij voor ons en in onze plaats heeft gedaan, is onze rechtvaardigheid; en het geloof is een instrument, dat ons met Hem in de gemeenschap van al Zijn goederen houdt; dewelke, de onze geworden zijnde, ons meer dan genoegzaam zijn tot onze vrijspreking van onze zonden.

    Artikel 23. Dat onze rechtvaardigmaking bestaat in de vergeving der zonden en toerekening der gehoorzaamheid van Christus.

    Wij geloven dat onze gelukzaligheid gelegen is in de vergeving onzer zonden om Jezus Christus' wil, en dat daarin onze rechtvaardigheid voor God begrepen is; gelijk David en Paulus ons leren, verklarende de gelukzaligheid des mensen te zijn, dat God hem de rechtvaardigheid zonder werken toerekent (Ps. 32:2; Rom. 4:6). En dezelfde apostel zegt dat wij om niet, of uit genade gerechtvaardigd zijn, door de verlossing die in Christus Jezus is (Rom. 3:24).

    En daarom houden wij dit fundament altijd vast, Gode al de eer gevende, ons vernederende en bekennende zodanigen als wij zijn, zonder iets van onszelven of van onze verdiensten te vermeten* (=roemen op), steunende en rustende op de gehoorzaamheid van den gekruisigden Christus alleen, dewelke onze is, wanneer wij in Hem geloven. Die is genoegzaam, om al onze ongerechtigheden te bedekken, en ons vrijmoedigheid te geven, de consciëntie vrijmakende van vrees, verbaasdheid en verschrikking, om tot God te gaan, zonder te doen gelijk onze eerste vader Adam, dewelke al bevende zich met vijgebladeren bedekken wilde. En voorwaar, indien wij voor God verschijnen moesten, steunende op onszelven of op enige andere schepselen, hoe weinig het ook ware, wij moesten (helaas) verslonden worden. En daarom moet een iegelijk zeggen met David: HEERE, ga niet in het gericht met Uw knecht; want niemand die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn (Ps. 143:2).

    Artikel 24. Van de heiligmaking des mensen en de goede werken.

    Wij geloven dat dit waarachtig geloof, in den mens gewrocht zijnde door het gehoor van het Woord Gods en de werking des Heiligen Geestes, hem wederbaart en maakt tot een nieuwen mens, en doet hem leven in een nieuw leven, en maakt hem vrij van de slavernij der zonde. Daarom is het zover vandaar, dat dit rechtvaardigmakend geloof de mensen zou doen verkouden* (= de genegenheid om vroom en heilig te leven verkoelt) in een vroom en heilig leven, dat zij daarentegen zonder ditzelve nimmermeer iets doen zullen uit liefde tot God, maar alleen uit liefde tot zichzelven en uit vrees van verdoemd te worden. Zo is het dan onmogelijk dat dit heilig geloof ledig zij in den mens; aangezien wij niet spreken van een ijdel geloof, maar van zulk een, hetwelk de Schrift noemt een geloof, dat door de liefde werkt (Gal. 5:6), dat den mens beweegt om zich te oefenen in de werken, die God in Zijn Woord geboden heeft; welke werken, als zij voortkomen uit den goeden wortel des geloofs, goed en bij God aangenaam zijn, overmits zij alle door Zijn genade geheiligd zijn. Intussen komen zij niet in rekening om ons te rechtvaardigen. Want het is door het geloof in Christus dat wij gerechtvaardigd worden, ook eer wij goede werken doen; anderszins zouden zij niet méér kunnen goed zijn dan een vrucht des booms goed zijn kan voordat de boom goed is. Zo doen wij dan goede werken; maar niet om te verdienen (want wat zouden wij verdienen?); ja, wij zijn in God gehouden voor de goede werken die wij doen, en niet Hij in ons* (=gehouden zijn in - betekent - verplicht zijn aan): aangezien Hij het is, Die in ons werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen (Filp. 2:13). Laat ons dan letten op hetgeen dat er geschreven staat: Wanneer gij zult gedaan hebben al hetgeen u bevolen is, zo zegt: Wij zijn onnutte dienstknechten; want wij hebben maar gedaan, hetgeen wij schuldig waren te doen (Luc. 17:10). Intussen willen wij niet loochenen dat God de goede werken beloont; maar het is door Zijn genade dat Hij Zijn gaven kroont. Voorts, al is het dat wij goede werken doen, zo gronden wij toch onze zaligheid niet daarop; want wij kunnen geen werk doen, of het is besmet door ons vlees en ook strafwaardig; en al konden wij er één voortbrengen, zo is toch de gedachtenis van één zonde genoeg, dat het van God zou verworpen worden. Alzo dan zouden wij altijd in twijfel staan, herwaarts en derwaarts drijvende zonder enige zekerheid, en onze arme consciëntiën zouden altijd gekweld worden, indien zij niet steunden op de verdiensten van het lijden en sterven van onzen Zaligmaker.

    Artikel 25. Van het afdoen der ceremoniële wet.

    Wij geloven dat de ceremoniën en figuren der Wet opgehouden hebben met de komst van Christus, en dat alle schaduwen een einde genomen hebben; alzo dat het gebruik daarvan onder de Christenen weggenomen moet worden; nochtans blijft ons de waarheid en substantie daarvan in Christus Jezus, in Denwelken zij hun vervulling hebben. Intussen gebruiken wij nog de getuigenissen, genomen uit de Wet en de Profeten, om ons in het Evangelie te bevestigen, en ook om ons leven te reguleren, in alle eerbaarheid, tot Gods eer, volgens Zijn wil.

    Artikel 26. Van de enige voorbidding van Christus.

    Wij geloven dat wij geen toegang hebben tot God, dan alleen door den enigen Middelaar en Voorspraak, Jezus Christus, den Rechtvaardige; Dewelke hierom mens geworden is, verenigende te zamen de Goddelijke en de menselijke natuur, opdat wij mensen een toegang zouden hebben tot de Goddelijke Majesteit; anderszins ware ons de toegang gesloten. Maar deze Middelaar, Dien de Vader ons heeft gegeven tussen Zich en ons, moet ons door Zijn grootheid niet verschrikken, om ons een ander, naar ons goeddunken, te doen zoeken. Want er is niemand, noch in den hemel, noch op de aarde, onder de schepselen, die ons liever heeft dan Jezus Christus; Dewelke, hoewel Hij in de gestaltenis Gods was, nochtans Zichzelven vernietigd heeft, aangenomen hebbende de gestaltenis eens mensen en eens dienstknechts voor ons, en is in alles Zijn broederen gelijk geworden (Filp. 2:6-7; Hebr. 2:17). Indien wij nu een anderen middelaar zoeken moesten, die ons goedgunstig ware, wien zouden wij kunnen vinden, die ons meer beminde dan Hij, Die Zijn leven voor ons gelaten heeft, ook toen wij Zijn vijanden waren (Rom. 5:8,10)? En zo wij een zoeken, die macht en aanzien heeft, wie is er, die daarvan zoveel heeft als Degene, Die gezeten is ter rechterhand Zijns Vaders, en Die alle macht heeft in den hemel en op de aarde (Matth. 28:18)? En wie zal eer verhoord worden dan de eigen welbeminde Zone Gods? Zo is dan alleen door een mistrouwen dit gebruik ingevoerd, dat men de heiligen onteert, in plaats van die te eren, doende hetgeen zij nooit gedaan noch begeerd hebben, maar hebben het volstandiglijk en volgens hun schuldigen plicht verworpen, als blijkt uit hun schriften. En hier moet men niet voorbrengen dat wij het niet waardig zijn; want het heeft hier de mening niet dat wij onze gebeden op onze waardigheid zouden voordragen, maar alleen op de uitnemendheid en waardigheid onzes Heeren Jezus Christus, Wiens rechtvaardigheid de onze is door het geloof. Daarom de apostel, willende deze zotte vrees, of veelmeer dat mistrouwen, van ons nemen, zegt ons dat Jezus Christus Zijn broederen in alles gelijk geworden is, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn, om de zonden des volks te verzoenen; want in hetgeen Hij Zelf verzocht zijnde geleden heeft, kan Hij dengenen die verzocht worden, te hulp komen (Hebr. 2:17,18). En daarna, om ons nog meer moed te geven om tot Hem te gaan, zegt hij: Dewijl wij dan een groten Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, den Zone Gods, zo laat ons deze belijdenis vasthouden. Want wij hebben geen Hogepriester, Die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen gelijk als wij is verzocht geweest, doch zonder zonde. Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden om geholpen te worden ter bekwamer tijd (Hebr. 4:14-16). Dezelfde apostel zegt dat wij vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus; laat ons dan toegaan, zegt hij, in volle verzekerdheid des geloofs, enz. (Hebr. 10:19, 22) Insgelijks: Christus heeft een onvergankelijk Priesterschap; waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden (Hebr. 7:24-25). Wat ontbreekt er meer, dewijl Christus Zelf deze uitspraak doet: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven; niemand komt tot den Vader dan door Mij (Joh. 14:6). Waartoe zouden wij een anderen advocaat zoeken, aangezien het God beliefd heeft ons Zijn Zoon tot een Advocaat te geven? Laat ons Hem niet verlaten, om een anderen te nemen; of veelmeer, een anderen te zoeken, zonder hem immermeer te vinden; want toen God Hem ons gegeven heeft, zo wist Hij wel dat wij zondaars waren. Daarom, volgens het bevel van Christus, zo roepen wij den hemelsen Vader aan door Christus, onzen enigen Middelaar, gelijk wij in het Gebed des Heeren geleerd zijn; verzekerd zijnde dat al wat wij den Vader zullen bidden in Zijn Naam, ons zal gegeven worden (Joh. 16:23).

    Artikel 27. Van de algemene Christelijke Kerk.

    Wij geloven en belijden een enige katholieke of algemene Kerk, dewelke is een heilige vergadering der ware Christgelovigen, al hun zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewassen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door den Heiligen Geest. Deze Kerk is geweest van den beginne der wereld af, en zal zijn tot den einde toe; gelijk daaruit blijkt, dat Christus een eeuwig Koning is, Dewelke zonder onderdanen niet zijn kan. En deze heilige Kerk wordt van God bewaard, of staande gehouden, tegen het woeden der gehele wereld; hoewel zij somwijlen een tijdlang zeer klein en als tot niet schijnt gekomen te zijn in de ogen der mensen; gelijk Zich de Heere gedurende den gevaarlijken tijd onder Achab zeven duizend mensen behouden heeft, die hun knieën voor Baäl niet gebogen hadden. Ook mede is deze heilige Kerk niet gelegen, gebonden, of bepaald in een zekere plaats, of aan zekere personen, maar zij is verspreid en verstrooid door de gehele wereld; nochtans te zamen gevoegd en verenigd zijnde met hart en wil in één zelfden Geest, door de kracht des geloofs.

    Artikel 28. Dat een iegelijk schuldig is zich bij de Kerk te voegen.

    Wij geloven, aangezien deze heilige vergadering is een verzameling dergenen die zalig worden, en dat buiten haar geen zaligheid is, dat niemand, van wat staat of kwaliteit hij zij, zich behoort op zichzelven te houden, om op zijn eigen persoon te staan; maar dat zij allen schuldig zijn, zichzelven daarbij te voegen en daarmede te verenigen; onderhoudende de enigheid der Kerk, zich onderwerpende aan haar onderwijzing en tucht, den hals buigende onder het juk van Jezus Christus, en dienende de opbouwing der broederen, naar de gaven die hun God verleend heeft, als onderlinge lidmaten eenszelfden lichaams. En opdat dit te beter zou kunnen onderhouden worden, zo is het ambt* (= plicht) aller gelovigen, volgens het Woord Gods, zich af te scheiden van degenen die niet van de Kerk zijn, en zich te voegen tot deze vergadering, het zij op wat plaats dat God ze gesteld heeft; ook al ware het zo, dat de magistraten en plakkaten der prinsen daartegen waren, en dat de dood of enige lichamelijke straf daaraan hing. Daarom, al degenen die zich van haar afscheiden of niet daarbij voegen, die doen tegen de ordinantie Gods.

    Artikel 29. Van het onderscheid en de mertekenen der ware en valse kerk.

    Wij geloven dat men wel naarstiglijk en met goede voorzichtigheid, uit den Woorde Gods, behoort te onderscheiden, welke de ware Kerk zij; aangezien alle sekten, die heden ten dage in de wereld zijn, zich met den naam der Kerk bedekken. Wij spreken hier niet van het gezelschap der hypocrieten, welke in de Kerk onder de goeden vermengd zijn, en intussen van de Kerk niet zijn, hoewel zij naar het lichaam in haar zijn; maar wij zeggen dat men het lichaam en de gemeenschap der ware Kerk onderscheiden zal van alle sekten, welke zeggen dat zij de Kerk zijn.

    De merktekenen, om de ware Kerk te kennen, zijn deze: zo de Kerk de reine predikatie des Evangelies oefent; indien zij gebruikt de reine bediening der Sacramenten, gelijk ze Christus ingesteld heeft; zo de kerkelijke tucht gebruikt wordt, om de zonde te straffen. Kortelijk, zo men zich aanstelt naar het zuivere Woord Gods, verwerpende alle dingen die daartegen zijn, houdende Jezus Christus voor het enige Hoofd. Hierdoor kan men zekerlijk de ware Kerk kennen, en het komt niemand toe, zich daarvan te scheiden.
    En aangaande degenen die van de Kerk zijn, die kan men kennen uit de merktekenen der Christenen; te weten, uit het geloof, en wanneer zij, aangenomen hebbende den enigen Zaligmaker Jezus Christus, de zonde vlieden en de gerechtigheid najagen, den waren God en hun naaste liefhebben, niet afwijken noch ter rechter- noch ter linkerhand, en hun vlees kruisigen met zijn werken. Alzo nochtans niet, alsof er nog geen grote zwakheid in hen zij; maar zij strijden daartegen door den Geest al de dagen huns levens, nemende gestadiglijk hun toevlucht tot het bloed, den dood, het lijden en de gehoorzaamheid van den Heere Jezus, in Denwelken zij vergeving hunner zonden hebben, door het geloof in Hem.
    Aangaande de valse kerk, die schrijft zich en haar ordinantiën meer macht en autoriteit toe dan den Woorde Gods, en wil zich aan het juk van Christus niet onderwerpen; zij bedient de Sacramenten niet gelijk Christus in Zijn Woord verordend heeft, maar zij doet daar af en toe, gelijk als het haar goeddunkt; zij grondt zich meer op de mensen dan op Christus; zij vervolgt degenen die heiliglijk leven naar het Woord Gods, en die haar bestraffen over haar gebreken, gierigheid en afgoderijen.
    Deze twee kerken zijn lichtelijk te kennen, en van elkander te onderscheiden.

    Artikel 30. Van de regering der kerk door kerkelijke ambten.

    Wij geloven dat deze ware Kerk geregeerd moet worden naar de geestelijke politie* (=regering), die ons onze Heere heeft geleerd in Zijn Woord; namelijk dat er dienaars of herders moeten zijn, om Gods Woord te prediken en de Sacramenten te bedienen; dat er ook opzieners en diakenen zijn, om met de herders te zijn als de raad der Kerk, en door dit middel de ware religie te onderhouden, en te maken, dat de ware leer haar loop hebbe, dat ook de overtreders op geestelijke wijze gestraft worden en in den toom gehouden; opdat ook de armen en bedrukten geholpen en getroost worden, naar dat zij van node hebben.

    Door dit middel zullen alle dingen in de Kerk wel en ordelijk toegaan, wanneer zulke personen verkoren worden, die getrouw zijn, en naar den regel, dien de heilige Paulus daarvan geeft in den brief aan Timotheüs (1 Tim. 3).

    Artikel 31. Van de dienaars, ouderlingen en diakenen.

    Wij geloven dat de dienaars des Woords Gods, ouderlingen en diakenen tot hun ambten behoren verkoren te worden door wettige verkiezing der Kerk, met aanroeping van den Naam Gods en goede orde, gelijk het Woord Gods leert. Zo moet zich dan een iegelijk wel wachten door onbehoorlijke middelen zich in te dringen, maar is schuldig den tijd te verwachten dat hij van God beroepen wordt, opdat hij getuigenis hebbe van zijn roeping, om van haar verzekerd en gewis te zijn dat zij van den Heere is.

    En aangaande de dienaars des Woords, in wat plaats dat zij zijn, zo hebben zij een zelfde macht en autoriteit, zijnde altegader dienaars van Jezus Christus, den enigen algemenen Bisschop en het enige Hoofd der Kerk.
    Daarenboven, opdat de heilige ordinantie Gods niet geschonden worde of in verachting kome, zo zeggen wij dat een ieder de dienaars des Woords en de ouderlingen der Kerk in bijzondere achting behoort te hebben, om des werks wil dat zij doen, en in vrede met hen te zijn, zonder murmurering, twist of tweedracht, zoveel mogelijk is.

    Artikel 32. Van de orde en discipline of tucht der kerk.

    Intussen geloven wij, hoewel het nuttig en goed is dat die regeerders der Kerk zijn onder zich zekere ordinantie instellen en bevestigen tot onderhouding van het lichaam der Kerk, dat zij nochtans zich wel moeten wachten af te wijken van hetgeen ons Christus, onze enige Meester, geordineerd heeft. En daarom verwerpen wij alle menselijke vonden, en alle wetten, die men zou willen invoeren, om God te dienen, en door deze de consciëntiën te binden en te dwingen, in wat manier het zou mogen zijn. Zo nemen wij dan alleen aan hetgeen dienstig is om eendrachtigheid en enigheid te voeden en te bewaren, en alles te onderhouden in de gehoorzaamheid Gods; waartoe geëist wordt de excommunicatie of de ban, die daar geschiedt naar den Woorde Gods, met hetgeen daaraan hangt.

    Artikel 33. Van de sacramenten.

    Wij geloven dat onze goede God, acht hebbende op onze grovigheid en zwakheid, ons heeft verordend de Sacramenten, om aan ons Zijn beloften te verzegelen, en om panden te zijn der goedwilligheid en genade Gods te onswaarts, en ook om ons geloof te voeden en te onderhouden; dewelke Hij gevoegd heeft bij het woord des Evangelies, om te beter aan onze uiterlijke zintuigen voor te stellen, zowel hetgeen Hij ons te verstaan geeft door Zijn Woord, als hetgeen Hij inwendig doet in onze harten, bondig en vast makende in ons de zaligheid, die Hij ons mededeelt. Want het zijn zichtbare waartekenen en zegelen van een inwendige en onzienlijke zaak, door middel waarvan God in ons werkt door de kracht des Heiligen Geestes. Zo zijn dan de tekenen niet ijdel, noch ledig, om ons te bedriegen; want Jezus Christus is hun waarheid, zonder Wien zij niet met al zijn zouden.

    Voorts zijn wij tevreden met het getal der Sacramenten, die Christus, onze Meester, ons heeft verordend, welke niet meer dan twee zijn; te weten het Sacrament des Doops, en des Heiligen Avondmaals van Jezus Christus.

    Artikel 34. Van den Heiligen Doop.

    Wij geloven en belijden dat Jezus Christus, Die het einde der wet is (Rom. 10:4), door Zijn vergoten bloed een einde gemaakt heeft aan alle andere bloedstortingen, die men zou kunnen of willen doen tot verzoening en voldoening der zonden; en dat Hij, afgedaan hebbende de Besnijdenis, die met bloed geschiedde, in de plaats daarvan heeft verordend het Sacrament des Doops, door hetwelk wij in de Kerke Gods ontvangen en van alle andere volken en vreemde religiën afgezonderd worden, om geheellijk Hem toegeëigend te zijn, Zijn merk en veldteken dragende; en het dient ons tot een getuigenis, dat Hij in eeuwigheid onze God zijn zal, ons zijnde een genadig Vader.

    Zo heeft Hij dan bevolen te dopen al degenen die de Zijnen zijn, in den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes (Matth. 28: 19), alleen met rein water; ons daarmede te verstaan gevende, dat, gelijk het water de vuiligheid des lichaams afwast, wanneer wij daarmede begoten worden, hetwelk op het lichaam desgenen, die den Doop ontvangt gezien wordt, en hem besprengt, alzo het bloed van Christus hetzelfde van binnen in de ziel doet, door den Heiligen Geest, haar besprengende en zuiverende van haar zonden, en ons wederbarende uit kinderen des toorns tot kinderen Gods.
    Niet dat zulks door het uiterlijke water geschiedt, maar door de besprenging des dierbaren bloeds des Zoons Gods, Die onze Rode Zee is, door Welke wij moeten doorgaan, om te ontgaan de tirannie van Farao, welke is de duivel, en in te gaan in het geestelijke land Kanaän. Alzo geven ons de dienaars van hun zijde het Sacrament, en hetgeen dat zichtbaar is; maar onze Heere geeft hetgeen door het Sacrament beduid wordt, te weten de gaven en onzienlijke genaden, wassende, zuiverende en reinigende onze zielen van alle vuiligheden en ongerechtigheden, en onze harten vernieuwende en die vervullende met alle vertroosting, ons gevende een ware verzekerdheid Zijner Vaderlijke goedheid, ons den nieuwen mens aandoende, en den ouden uittrekkende met al zijn werken.
    Hierom geloven wij, dat, zo wiens voornemen is in het eeuwige leven te komen, die moet maar ééns gedoopt worden met den enigen Doop, zonder dien immermeer te herhalen; want wij kunnen ook niet tweemaal geboren worden. Doch deze Doop is niet alleen nut, zolang het water op ons is en wij het water ontvangen, maar ook al den tijd onzes levens. Hierom verwerpen wij de dwaling der Wederdopers, die niet tevreden zijn met een enig doopsel, dat zij eens ontvangen hebben, en daarenboven verdoemen den doop der kinderkens der gelovigen; dewelke wij geloven dat men behoort te dopen en met het merkteken des verbonds te verzegelen, gelijk de kinderkens in Israël besneden werden, op dezelfde beloften, die onzen kinderen gedaan zijn. En voorwaar, Christus heeft Zijn bloed niet minder vergoten om de kinderkens der gelovigen te wassen, dan Hij gedaan heeft om de volwassenen. En daarom behoren zij het teken te ontvangen en het Sacrament van hetgeen dat Christus voor hen gedaan heeft; gelijk de Heere in de wet beval hun mede te delen het Sacrament des lijdens en stervens van Christus, kort nadat zij geboren waren, offerende voor hen een lammeken, hetwelk was een Sacrament van Jezus Christus. Daarenboven, hetgeen de Besnijdenis deed aan het Joodse volk, hetzelfde doet de Doop aan onze kinderen; welke de oorzaak is waarom de heilige Paulus den Doop noemt de Besnijdenis van Christus (Kol. 2:11).

    Artikel 35. Van het Heilig Avondmaal van onzen Heere Jezus Christus.

    Wij geloven en belijden dat onze Zaligmaker Jezus Christus het Sacrament des Heiligen Avondmaals verordend en ingesteld heeft, om te voeden en te onderhouden degenen, die Hij alrede wedergeboren, en in Zijn huisgezin, hetwelk is Zijn Kerk, ingelijfd heeft. Nu hebben degenen, die wedergeboren zijn, in zich tweeërlei leven; het ene lichamelijk en tijdelijk, hetwelk zij van hun eerste geboorte medegebracht hebben, en allen mensen gemeen is; het andere is geestelijk en hemels, hetwelk hun gegeven wordt in de tweede geboorte, dewelke geschiedt door het Woord des Evangelies, in de gemeenschap des lichaams van Christus; en dit leven is niet gemeen, dan alleen den uitverkorenen Gods.

    Alzo heeft ons God, tot onderhouding des lichamelijken en aardsen levens, aards en gewoon brood verordend, hetwelk daartoe dienstig is, en allen gemeen is, zowel als het leven. Maar om het geestelijk en hemels leven te onderhouden, hetwelk de gelovigen hebben, heeft Hij hun gezonden een levend Brood, Dat van den hemel nedergedaald is, te weten Jezus Christus, Dewelke het geestelijk leven de gelovigen voedt en onderhoudt, als Hij gegeten, dat is, toegeëigend en ontvangen wordt door het geloof, in den geest.
    Om ons dit geestelijk en hemels Brood af te beelden, heeft Christus verordend een aards en zienlijk brood, hetwelk een Sacrament is van Zijn lichaam, en den wijn tot een Sacrament Zijns bloeds; om ons te betuigen dat wij, zo waarachtiglijk als wij het Sacrament ontvangen en houden in onze handen, en het eten en drinken met onzen mond, waarmede ons leven daarna onderhouden wordt, ook zo waarachtiglijk door het geloof (hetwelk de hand en mond onzer ziel is) het ware lichaam en het ware bloed van Christus, onzen enigen Zaligmaker, ontvangen in onze zielen tot ons geestelijk leven. Nu, zo is het zeker en ongetwijfeld, dat ons Jezus Christus Zijn Sacramenten niet tevergeefs heeft bevolen. Zo werkt Hij dan in ons al wat Hij door deze heilige tekenen ons voor ogen stelt; hoewel de wijze ons verstand te boven gaat, en ons onbegrijpelijk is, gelijk de werking des Heiligen Geestes verborgen en onbegrijpelijk is. Intussen zo feilen wij niet, als wij zeggen dat hetgeen door ons gegeten en gedronken wordt, het eigen en natuurlijk lichaam en het eigen bloed van Christus is; maar de wijze op welke wij dit nuttigen, is niet de mond, maar de geest, door het geloof. Alzo dan blijft Jezus Christus altijd zittende ter rechterhand Gods Zijns Vaders in de hemelen, en laat toch daarom niet na, ons Zijner deelachtig te maken door het geloof. Deze maaltijd is een geestelijke tafel, aan dewelke Christus Zichzelven ons mededeelt met al Zijn goederen, en doet ons aan haar genieten, zowel Zichzelven, als de verdiensten Zijns lijdens en stervens; voedende, sterkende, en vertroostende onze arme troosteloze ziel door het eten Zijns vleses, en haar verkwikkende en vermakende door den drank Zijns bloeds.
    Voorts, hoewel de Sacramenten met de betekende zaken te zamen gevoegd zijn, zo worden zij nochtan s met deze twee zaken door allen niet ontvangen. De goddeloze ontvangt wel het Sacrament tot zijn verdoemenis, maar hij ontvangt niet de waarheid des Sacraments; gelijk als Judas en Simon de tovenaar beiden wel het Sacrament ontvingen, maar niet Christus, Die daardoor betekend wordt, Welke den gelovigen alleen medegedeeld wordt.
    Ten laatste, wij ontvangen het Heilig Sacrament in de verzameling des volks Gods met ootmoedigheid en eerbied, onder ons houdende een heilige gedachtenis des doods van Christus, onzen Zaligmaker, met dankzegging, en doen aldaar belijdenis van ons geloof en van de Christelijke religie. Daarom behoort zich niemand daartoe te begeven, zonder zichzelven eerst wel beproefd te hebben; opdat hij, etende van dit brood en drinkende uit dezen drinkbeker, niet ete en drinke zichzelven een oordeel (1 Kor. 11:29). Kortelijk, wij zijn door het gebruik van dit Heilig Sacrament bewogen tot een vurige liefde jegens God en onzen naaste. Daarom verwerpen wij alle inmengselen en verdoemelijke vonden, die de mensen bij de Sacramenten gedaan en gemengd hebben, als ontheiligingen daarvan, en zeggen dat men zich moet laten vergenoegen met de ordening, die Christus en Zijn apostelen ons geleerd hebben, en spreken, gelijk zij daarvan gesproken hebben.

    Artikel 36. Van het ambt der overheid.

    Wij geloven dat onze goede God, uit oorzaak der verdorvenheid des menselijken geslachts, koningen, prinsen en overheden verordend heeft; willende dat de wereld geregeerd worde door wetten en politiën* (=verordeningen), opdat de ongebondenheid der mensen bedwongen worde en het alles met goede ordinantie onder de mensen toega. Tot dat einde heeft Hij de overheid het zwaard in handen gegeven tot straf der bozen (Rom. 13:4) en bescherming der vromen. En hun ambt is, niet alleen acht te nemen en te waken over de politie* (=staatsbestuur), maar ook de hand te houden aan den heiligen kerkedienst; om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valsen godsdienst, om het rijk van den antichrist te gronde te werpen, en het Koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen, het woord des Evangelies overal te doen prediken, opdat God van een iegelijk geëerd en gediend worde, gelijk Hij in Zijn Woord gebiedt.

    Voorts, een ieder, van wat kwaliteit, conditie of staat hij zij, is schuldig zich den overheden te onder werpen, schattingen te betalen, hun eer en eerbied toe te dragen, en hun gehoorzaam te zijn in alle dingen, die niet strijden tegen Gods Woord; voor hen biddende in hun gebeden, opdat hen de Heere stieren wille in al hun wegen, en dat wij een gerust en stil leven leiden in alle godzaligheid en eerbaarheid (1 Tim. 2:2). En hierin verwerpen wij de Wederdopers en andere oproerige mensen, en in het gemeen al degenen, die de overheden en magistraten verwerpen en de justitie omstoten willen, invoerende de gemeenschap der goederen, en verwarren de eerbaarheid, die God onder de mensen gesteld heeft.

    Artikel 37. Van het laatste oordeel.

    Ten laatste geloven wij, volgens het Woord Gods, dat, als de tijd, van den Heere verordend (die allen creaturen onbekend is), gekomen, en het getal der uitverkorenen vervuld zal zijn, onze Heere Jezus Christus uit den hemel zal komen, lichamelijk en zienlijk, gelijk Hij opgevaren is (Hand. 1:11), met grote heerlijkheid en majesteit, om Zich te verklaren een Rechter te zijn over levenden en doden; deze oude wereld in vuur en vlam stellende om haar te zuiveren. En alsdan zullen persoonlijk voor dezen groten Rechter verschijnen alle mensen, zowel mannen als vrouwen en kinderen, die van den aanbeginne der wereld af tot den einde toe geweest zullen zijn, gedagvaard zijnde door de stem des archangels en door het geklank der bazuin Gods (1 Tess. 4:16). Want al degenen die gestorven zullen wezen, zullen uit de aarde verrijzen, de zielen te zamen gevoegd en verenigd zijnde met haar eigen lichaam, in hetwelk zij zullen geleefd hebben. En aangaande degenen die alsdan nog leven zullen, die zullen niet sterven gelijk de anderen, maar zullen in een ogenblik veranderd en uit verderfelijk onverderfelijk worden. Alsdan zullen de boeken (dat is de consciëntiën) geopend, en de doden geoordeeld worden (Openb. 20:12), naar hetgeen zij in deze wereld gedaan zullen hebben, hetzij goed of kwaad (2 Kor. 5:10). Ja, de mensen zullen rekenschap geven van alle ijdele woorden, die zij gesproken zullen hebben (Matth. 12:36), die de wereld niet dan voor kinderspel en voor tijdverdrijf acht; en dan zullen de verborgenheden en geveinsdheden der mensen openbaarlijk voor allen ontdekt worden.

    En daarom is de gedachtenis van dit oordeel met recht schrikkelijk en vervaarlijk voor de bozen en goddelozen, en zeer wenselijk en troostelijk voor de vromen en uitverkorenen; dewijl alsdan hun volle verlossing volbracht zal worden, en zij aldaar zullen ontvangen de vruchten des arbeid en der moeite, die zij zullen gedragen hebben; hun onnozelheid* (=onschuld) zal door allen bekend worden, en zij zullen de schrikkelijke wraak zien, die God tegen de goddelozen doen zal, die hen getiranniseerd, verdrukt en gekweld zullen hebben in deze wereld. Dewelke overwonnen zullen worden door het getuigenis hunner eigen consciëntiën, en zullen onsterfelijk worden, doch in zulker voege, dat het zal zijn om gepijnigd te worden in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijn engelen bereid is (Matth. 25:41).
    En daarentegen, de gelovigen en uitverkorenen zullen gekroond worden met heerlijkheid en eer. De Zone Gods zal hun naam belijden voor God, Zijn Vader (Matth. 1:32), en Zijn uitverkoren engelen; alle tranen zullen van hun ogen afgewist worden (Op. 21:4); hun zaak, die nu tegenwoordiglijk door vele rechters en overheden als ketters en goddeloos verdoemd wordt, zal bekend worden de zaak des Zoons Gods te zijn. En tot een genadige vergelding zal hen de Heere zulk een heerlijkheid doen bezitten, als het hart eens mensen nimmermeer zou kunnen bedenken. Daarom verwachten wij dien groten dag met een groot verlangen, om ten volle te genieten de beloften Gods, in Jezus Christus onzen Heere.

    Guido de Brès

    Guido de Brés of Guy Bray is in 1522 geboren in Henegouwen in de Zuidelijke Nederlanden. Zijn Vader Jean de Brés was wolwever. Over zijn moeder weten we niets. Wel is bekend dat zij een trouw dochter van de Roomse kerk was. Ze wilde heel graag dat haar zoon evangelieprediker werd. Dat gebeurde niet, hij werd glasschilder van beroep.
    Hij maakte mooie glas - in - lood ramen zoals die in oude kerkgebouwen nog te zien zijn. Deze ramen beelden vaak bijbelse taferelen uit. Om deze taferelen te kunnen schilderen moest Guido de Brés veel in de bijbel lezen. In die tijd een kostbaar bezit. Omdat het in de kerk niet gewoon was dat de gelovigen zelf een bijbel in hun bezit hadden en er zelfstandig uit lazen.
    Ook komt hij in aanraking met de werken van Calvijn en andere hervormers uit die tijd. Guido ging aan anderen over het evangelie vertellen. Dat kwam omdat hij gehoord had wat andere gelovigen, die met de kerk van die tijd gebroken hadden, hun leven op de brandstapel moesten beëindigen.

    De inquisitie (dat was de kerkelijke rechtbank) kreeg hem in de gaten. Hij vluchtte met andere gereformeerden naar Engeland. Daar waren ze veilig. Koning Edward VI regeerde als een protestantse vorst. Bij hem waren de geloofsvervolgden veilig.

    Koning Edward VI stierf. Hij werd opgevolgd door Maria Stuart. Zij kreeg de bij naam de "Bloedige", omdat ze de protestanten in Engeland zwaar vervolgde en met de dood bedreigde.
    Na zijn terugkeer maar de Zuidelijke Nederlanden hielp hij de "ondergrondse kerken", de gemeenten die in het geheim samen kwamen voor de verkondiging van het evangelie. Hier schreef hij ook zijn eerste boek "De staf van het christelijk geloof". Philips II was inmiddels Karel V opgevolgd als Heer der Nederlanden. Hij zette de vervolgingen nog strenger door dan zijn vader.

    Guido de Brés moest opnieuw vluchten. Nu naar Frankfort aan de Main. Daar sloot hij zich aan bij de vluchtelingen-gemeente die daar was. Daar ontmoette hij vluchtelingen die hij vanuit Engeland al kende en die daar voor de vervolgingen gevlucht waren onder Maria Stuart. Waarschijnlijk heeft hij daar Calvijn ontmoet.

    Guido had zichzelf al onderwezen in de leer van de Heilige Schrift, maar hij kreeg in Frankfort aan de Main de gelegenheid om onder Calvijn te studeren in Geneve. Om zo nog beter het evangelie te kunnen vertellen aan de mensen. Rond 1559 is hij weer teruggekeerd naar de Nederlanden. Hij trouwt hier met Catharine van Ramon. Van daar uit preekte De Brès als een rondtrekkend predikant, in Noord -Frankrijk.

    Een onbekende man gooide in de nacht van 1 op 2 november 1561 een pakje over de muur van het kasteel in Doornik. In dat pakje zat de "Nederlandse geloofsbelijdenis" en een brief, beiden bestemd voor Koning Philips II. De schrijver wilde met zijn belijdenis aantonen dat de gereformeerden geen ketters en oproerkraaiers waren, maar naar het evangelie leven wilden. Zoals de kerk dat altijd had gedaan voor de periode van de heiligenverering en de leer van de goede werken. Of Philips II de inhoud ooit gelezen heeft weten we niet. Al snel kwam men er achter dat Guido de Brés de schrijver was. Er werd toen ook alles aan gedaan om deze "ketter" in de gevangenis te krijgen.

    De inquisitie ontdekte zelfs het tuinhuisje waar Guido zijn werkplek had. Hij is in Valenciennes predikant geweest, maar moest vluchten toen de stad belegerd werd. Hij heeft zich nog een tijd schuil weten te houden, maar in een herberg werd hij ontdekt. In Doornik werd hij opgesloten in de gevangenis. Daar schreef hij afscheidsbrieven aan zijn vrouw en kinderen en aan zijn moeder. De beschuldiging die tegen hem werd ingebracht luidde: "Hij had het Heilig Avondmaal op een ongeoorloofde manier bediend". Guido de Brés werd veroordeeld tot de doodstraf door middel van ophanging, daarna werd zijn lichaam verbrand op de brandstapel.

    De laatste brief van Guido de Brès aan zijn Moeder

    Geschreven op 19 Mei 1567, dus 12 dagen vóór zijn dood.
    Mijn lieve moeder, ik bid u, wees goedsmoeds te midden uwer droefheid, en draag deze beproeving, u van God toegezonden, met geduld en met blijdschap, wetende, dat het het welbehagen Gods is, hetwelk men in geenen deele mag weerstaan, al ware het ook, dat men hiertoe de macht hadde. Leef het overige uwer dagen in de vreeze Gods, blijf mijner gedachtig, als ook dat ik mijnen God gediend heb tot in den dood. Ik blijf u steeds, voor zoolang als gij in deze wereld nog zult leven, mijne arme vrouw en mijn kindertjes aanbevelen, die hun vader in hunne vroegste jeugd verliezen, en ik bid den Heere, mijnen God, uit den grond mijns harten, dat het Hem behage, hun van hunne kindsheid af Zijnen Heiligen geest te schenken, en hen in Zijne vreeze te doen wandelen gedurende heel hun leven. Ik vraag Hem zonder ophouden om dien zegen, dat Hij zich de man mijner arme weduwe betoone, dat Hij haar zegene en haar genadig zij tot in eeuwigheid. Ik ben verheugd te vernemen, dat zij zich met hare kinderen naar Sedan begeven heeft, hetgeen mij eenige rust en verademing schenkt; en hoewel zij van u en van mijne broeders verwijderd zij, zoo bid ik u allen haar nimmer te vergeten, maar zoowel voor haar als voor mijne arme kleinen te zorgen. Ik bid den Heere mijnen God, dat het Hem behage u te vervullen met den overvloed zijner genade en hemelsche zegeningen, en uwe grijsheid meer en meer in eere doe zijn, u bevestigende in alles goeds, totdat Hij u, met al Zijn volk in zijn zalig rijk inzamele. Ik beveel u Gode en den Woorde Zijner genade, die machtig is u op te bouwen en u eene erve te geven onder alle heiligen. Vaarwel, mijne moeder, mijne lieve moeder, vaarwel. De Heere vertrooste u in uwe bezoeking.


    Dezen 19en Mei 1567.
    Door uwen zoon, die u op het
    Hartelijkst liefheeft:
    GUIDE DE BRÈS.
    Gevangen om Jezus Christus,
    Den Zone Gods.

  • Dordtse Leerregels

    De Dordtse Leerregels of de vijf artikelen tegen de Remonstranten, vastgesteld in de Nationale Synode, gehouden te Dordrecht, in 1618 en 1619.

    Voorrede

    Onder de zeer vele vertroostingen, dewelke onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus aan zijn strijdende Kerk in deze ellendige pelgrimage gegeven heeft, wordt deze met recht de voornaamste geacht, die Hij haar heeft nagelaten, als Hij tot zijn Vader in het hemelse Heiligdom zoude ingaan, zeggenden: "Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld".
    De waarheid van deze vriendelijke belofte is blijkelijk in de Kerk van alle tijden. Want alzo zij niet alleen door openbaar geweld der vijanden en goddeloos geweld der ketteren, maar ook door bedekte listigheid der verleiders van den beginnen is gestreden, voorwaar, indien de Heere haar te eniger tijd van de heilzame hulp van zijn beloofde tegenwoordigheid had ontbloot, zij zoude al over lang òf door geweld der tyrannen zijn verdrukt geweest òf door de arglistigheid der bedriegers ten verderve geleid.

    Maar de goede Herder, die zijn kudde, voor welke Hij zijn leven heeft gelaten, zeer volstandiglijk bemint, heeft het woeden der vervolgers steeds ter rechter tijd en door zijn uitgestrekte hand, dikwijls wonderlijk, ternedergezet, en de kromme wegen en bedriegelijke raadslagen der verleiders ontdekt en te niet gedaan; in beide bewijzende, dat Hij waarlijk bij zijn Kerk tegenwoordig is.

    Hiervan hebben wij een zeer klaar bewijs in de Historiën der Godzalige Keizers, Koningen en Prinsen, dewelke de Zone Gods zo menigmaal tot hulp van zijn Kerk heeft verwekt, met een heilige ijver van zijn huis ontstoken, en door hun dienst niet alleen het woeden der tyrannen bedwongen, maar ook zijn Kerk, wanneer zij met valse leraars te strijden had, tegen hen met middelen ter genezing, van heilige Synoden voorzien, in welke de getrouwe dienstknechten van Christus met gezamenlijke gebeden, raad en arbeid kloekmoediglijk zich hebben gesteld voor de Kerk en waarheid Godes tegen de knechten des satans, alhoewel zij zich in engelen des lichts veranderden; en hebben het zaad der dwalingen en der tweedracht weggenomen, de Kerk in eendracht der reine religie behouden en de oprechte godsdienst ongeschonden op de nakomelingen voortgezet.
    Met een gelijke weldaad heeft onze trouwe Zaligmaker zijn genadige tegenwoordigheid aan de Kerk van Nederland, die enige jaren zeer is verdrukt geweest, in deze tijd bewezen.
    Want deze Kerk, van de tyrannie van de Roomse Antichrist en de schrikkelijke afgoderij van het Pausdom, door Gods machtige hand verlost, en in de gevaren van zo langdurige oorlog menigmaal wonderbaarlijk bewaard zijnde, en in eendracht der ware leer en tucht tot lof van haar God, tot wonderlijke wasdom van het gemenebest, en vreugde van de gehele Gereformeerde wereld zeer heerlijk bloeiende, is van Jacobus Arminius en zijn navolgers, dragende de naam van Remonstranten, door verscheidene zo oude als nieuwe dwalingen, eerste heimelijk, daarna openlijk aangevochten, en, door ergerlijke twisten en scheuringen hardnekkiglijk verstoord zijnde, in zo groot gevaar gebracht, dat die zeer bloeiende Kerken door een schrikkelijke brand van tweedrachten en verdeeldheden ten laatste zouden zijn verteerd geworden, ten ware de ontferming van onze Zaligmaker ter bekwamer tijd daartussen ware gekomen.
    Doch geprezen zij in der eeuwigheid de Heere, dewelke, nadat Hij zijn aanschijn een ogenblik tijds van ons (die op menigerlei wijze zijn toorn en gramschap hadden verwekt) verborgen had, voor de ganse wereld heeft bewezen, dat Hij zijn Verbond niet vergeet en het zuchten der zijnen niet veracht.
    Want als daar nauwelijks enige hope van herstel naar menselijk oordeel scheen voorhanden te zijn, heeft Hij aan de Doorluchtige en Hoogmogende Heren, de Generale Staten der Verenigde Nederlanden, in het hart gegeven, dat zij, met advies en directie van den Doorluchtigsten Prince van Oranje, besloten hebbende deze woedende zwarigheden met wettelijke middelen te bejegenen, welke door de voorbeelden der Apostelen zelf en der Christelijke Kerk na hun tijd doorgaans zijn goed gekend, en zelfs ook in de Kerk van Nederland met grote vrucht vóór dezen gebruikt,en hebben een Synode uit al de Provinciën van hun gebied door hun autoriteit naar Dordrecht bijeengeroepen, nadat zij daartoe van tevoren verzocht en door gunst des grootmachtigsten Konings Jacobus, Koning van Groot-brittannië, enz., en machte Republieken, verworven hadden vele voortreffelijke godgeleerde mannen, opdat door gemeen oordeel van zoveel theologanten der Gereformeerde Kerk, de leringen van Arminius en zijn navolgers in een zo vermaarde Synode rijpelijk zouden worden onderzocht, en alleen uit Gods Woord geoordeeld, de ware leer bevestigd, de valse verworpen, en de Nederlandse Kerken eendracht, vrede en rust door Godes zegen wedergebracht.
    Over deze weldaad Godes is het, dat de Nederlandse Kerken zich verheugen en haars Zaligmakers ootmoediglijk bekennen en dankbaar roemen.
    Deze eerwaardige Synode (na voorgaand algemeen vasten en bidden door autoriteit der Hoge Overheid in al de Nederlandse Kerken tot afbidding van Gods toorn en verwerving van zijn genadige bijstand uitgeschreven en gehouden) in des Heeren naam binnen Dordrecht vergaderd zijnde, ontstoken in liefde tot God en de welstand der Kerk, en wezende, na aanroeping van Gods naam, met een heilige eed verplicht, van alleen naar het richtsnoer der Heilige Schrifture te oordelen, en in het onderzoek met een goede consciëntie te handelen, heeft zeer naarstiglijk en met grote lankmoedigheid gearbeid, om de voornaamste voorstanders dezer leringen, voor haar geciteerd zijnde, te bewegen, dat zij hun gevoelen van de bekende vijf Hoofdstukken der leer, mitsgaders de redenen van die volkomenlijk wilden verklaren.
    Maar als zij het oordeel der Synode verwierpen en op de vraagstukken, in de manier als billijk was, weigerden te antwoorden, en dat voorts geen vermaningen der Synode, noch resolutiën der Welgeboren Edele Gedeputeerde Staten van de Heren Generale Staten, ja zelfs niet de bevelen van de doorluchtige Hoogmogende Heren Generale Staten, bij hen iets vorderden, is de Synode genoodzaakt, met last van hun Hoogmogende en naar de gewoonte der ouderen Synoden, een andere weg in te gaan; en is het onderzoek van de voorzeide vijf leerstukken uit de schriften, bekentenissen en verklaringen, eensdeels te voren uitgegeven, anderdeels ook aan deze Synode overgeleverd, ter hand genomen.
    Hetwelk, alzo het nu door Gods bijzondere genade met zeer grote vlijt, getrouwigheid, consciëntie en overeenstemming van allen en een iegelijk is voleind, zo is 't, dat deze Synode tot Gods eer, behoudenis van de oprechtigheid der zaligmakende waarheid, gerustheid der consciëntiën, vrede en welstand der Nederlandse Kerken, besloten heeft het navolgende oordeel (waarin het waarachtige en met Gods Woord overeenkomende gevoelen van de vijf voorzegde leerpunten wordt verklaard, en het valse, en met Gods Woord strijdende verworpen) openlijk uit te spreken en aan een iegelijk bekend te maken.

    Hoofdstuk 1

    Namelijk van de Goddelijke verkiezing en verwerping.

    1. Aangezien alle mensen in Adam gezondigd hebben, en des vloeks en eeuwigen doods zijn schuldig geworden, zo zou God niemand ongelijk hebben gedaan, indien Hij het ganse menselijke geslacht in de zonde en vervloeking had willen laten en om de zonde verdoemen, volgens deze uitspraken van den Apostel: De gehele wereld is voor God verdoemelijk. Zij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods (Rom. 3: 19, 23); en : De bezoldiging der zonde is de dood (Rom. 6: 23).
    2. Maar hierin is de liefde Gods geopenbaard, dat Hij zijn eniggeboren Zoon in de wereld gezonden heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (1 Joh. 4: 9; Joh. 3: 16).
    3. En opdat de mensen tot het geloof worden gebracht, zendt God goedertierenlijk verkondigers van deze zeer blijde boodschap, tot wien Hij wil, en wanneer Hij wil; door wier dienst de mensen geroepen worden tot bekering en het geloof in Christus, den gekruisigde.
    4. Die dit Evangelie niet geloven, op die blijft de toorn Gods. Maar die het aannemen, en den Zaligmaker Jezus met een waarachtig en levend geloof omhelzen, die worden door Hem van den toorn Gods en van het verderf verlost en met het eeuwige leven begiftigd (Joh. 3: 36; Mark. 16: 16).
    5. De oorzaak of schuld van dat ongeloof, gelijk ook van alle andere zonden, is geenszins in God, maar in den mens.
    6. Dat God sommigen in den tijd het geloof begiftigt, sommigen niet begiftigt, komt voort van zijn eeuwig besluit. Want al zijn werken zijn Hem van eeuwigheid bekend (Hand. 15: 18), en: Hij werkt alle dingen naar den raad zijns willens (Efeze 1: 11).
    7. Deze Verkiezing is een onveranderlijk voornemen Gods, door hetwelk Hij vóór de grondlegging der wereld een zekere menigte van mensen, niet beter of waardiger zijnde dan anderen, maar in de gemene ellende met anderen liggende, uit het gehele menselijke geslacht, van de eerste oprechtigheid door hun eigen schuld vervallen in de zonde en het verderf, naar het vrije welbehagen zijns willens, tot de zaligheid, louter uit genade, uitverkoren heeft in Christus, denwelken Hij ook van eeuwigheid tot een Middelaar en Hoofd van alle uitverkorenen, en tot een fundament der zaligheid gesteld heeft.
    En opdat zij door Hem zouden zalig gemaakt worden, heeft Hij ook besloten, hen aan Hem te geven, en krachtiglijk tot zijn gemeenschap door zijn Woord en Geest te roepen en te trekken, of, met het ware geloof in Hem te begiftigen, te rechtvaardigen, te heiligen, en, in de gemeenschap zijns Zoons krachtiglijk bewaard zijnde, ten laatste te verheerlijken, tot bewijzing van zijn barmhartigheid, en tot prijs van de rijkdommen zijner heerlijke genade.
    Gelijk geschreven is: God heeft ons uitverkoren in Christus, vóór de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde. Die ons te voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in zichzelf, naar het welbehagen zijns willen; tot prijs der heerlijkheid zijner genade, door welke Hij ons begenadigd heeft in den Geliefde (Efeze 1: 4, 5, 6); en elders: Die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt (Rom. 8: 30).
    8. De voormelde Verkiezing is niet menigerlei, maar een en dezelfde, van al degenen die zalig worden, beide in het Oude en Nieuwe Testament.
    9. Deze zelfde Verkiezing is geschied, niet uit het voorgezien geloof en gehoorzaamheid des geloofs, heiligheid of enige andere goede hoedanigheid of geschiktheid, als een oorzaak of voorwaarde, te voren vereist in den mens, die verkoren zou worden; maar tot het geloof en gehoorzaamheid des geloofs, tot heiligheid enz.;
    10. De oorzaak van deze genadige Verkiezing is eniglijk het welbehagen Gods, niet daarin bestaande, dat Hij enige hoedanigheden of werken der mensen, uit alle mogelijke voorwaarden, tot een voorwaarde der zaligheid heeft uitgekozen; maar hierin, dat Hij enige bepaalde personen, uit de gemene menigte der zondaren, zich tot een eigendom heeft aangenomen.
    11. En gelijk God zelf op het hoogste wijs, onveranderlijk, alwetend en almachtig is, alzo kan de Verkiezing, van Hem gedaan, niet ontdaan en wedergedaan, noch veranderd, noch herroepen, noch afgebroken worden, noch de uitverkorenen verworpen, noch hun getal verminderd worden.
    12. Van deze hun eeuwige en onveranderlijke Verkiezing ter zaligheid worden de uitverkorenen te zijner tijd, hoewel bij onderscheidene trappen en met ongelijke mate, verzekerd; niet, als zij de verborgenheden en diepten Gods curieuselijk doorzoeken, maar als zij de onfeilbare vruchten der Verkiezing in het Woord van God aangewezen (als daar zijn: het waar geloof in Christus, kinderlijke vreze Gods, droefheid die naar God is over de zonde, honger en dorst naar de gerechtigheid, enz.), in zichzelf met een geestelijke blijdschap en heilige vermaking waarnemen (2 Kor. 13: 5).
    13. Uit het gevoel en de verzekerdheid van deze Verkiezing, nemen de kinderen Gods dagelijks meerder oorzaak om zichzelf voor God te verootmoedigen, de diepte van zijn barmhartigheden te aanbidden, zichzelf te reinigen, en Hem, die hen eerst zo uitnemend heeft liefgehad, wederom vuriglijk te beminnen.
    14. Voorts, gelijk deze leer van de Goddelijke Verkiezing, naar Gods wijzen raad, door de Profeten, Christus zelf en de Apostelen, zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament gepredikt is, en daarna in de Heilige Schriften voorgesteld en nagelaten,
    15. Deze eeuwige en onverdiende genade van onze Verkiezing wijst en prijst ons de Heilige Schrift allermeest daarmede aan, dat zij wijders getuigt, dat niet alle mensen zijn verkoren, maar sommigen niet verkoren, of in Gods eeuwige Verkiezing voorbijgegaan, namelijk die, welke God naar zijn gans vrij, rechtvaardig, onberispelijk en onveranderlijk welbehagen besloten heeft in de gemene ellende te laten, in dewelke zij zichzelf door hun eigen schuld hebben gestort, en met het zaligmakend geloof en de genade der bekering niet te begiftigen, maar hen, in hun eigen wegen en onder zijn rechtvaardig oordeel gelaten zijnde, eindelijk niet alleen om het ongeloof, maar ook om alle andere zonden, tot verklaring van zijn gerechtigheid, te verdoemen en eeuwiglijk te straffen.
    16. Die het levend geloof in Christus, of het zeker vertrouwen des harten, den vrede der consciëntie, de betrachting van de kinderlijke gehoorzaamheid, den roem in God door Christus, in zich nog niet krachtiglijk gevoelen, en nochtans de middelen gebruiken, door welke God beloofd heeft deze dingen in ons te werken, die moeten niet mismoedig worden, wanneer zij van de verwerping horen gewagen, noch zichzelven onder de verworpenen rekenen, maar in het waarnemen der middelen ijverig voortgaan, naar den tijd van overvloediger genade vuriglijk verlangen, en die met eerbiedigheid en ootmoedigheid verwachten.
    Veel minder behoren voor deze leer van de verwerping verschrikt te worden degenen, die ernstiglijk begeren zich tot God te bekeren, Hem alleen te behagen, en van het lichaam des doods verlost te worden, en nochtans in den weg der godzaligheid en des geloofs zo ver nog niet kunnen komen, als zij wel wilden; aangezien de barmhartige God beloofd heeft dat hij de rokende vlaswiek niet zal uitblussen, en het gekrookte riet niet zal verbreken.
    Maar deze leer is met recht schrikkelijk voor degenen, die God en Christus de Zaligmaker niet achtende, zichzelven aan de zorgvuldigheden der wereld en aan de wellusten des vleses geheel hebben overgegeven, zo lang zij zich niet met ernst tot God bekeren.
    17. Nademaal wij van den wil Gods uit zijn Woord moeten oordelen, hetwelk getuigt, dat de kinderen der gelovigen heilig zijn, niet van nature, maar uit kracht van het genadeverbond, in hetwelk zij met hun ouderen begrepen zijn, zo moeten de Godzalige ouders niet twijfelen aan de Verkiezing en zaligheid hunner kinderen, welke God in hun kindsheid uit dit leven wegneemt (Gen. 17: 7; Hand. 2: 39; 1 Kor. 7: 14).
    18. Tegen degenen, die over deze genade der onverdiende Verkiezing en gestrengigheid der rechtvaardige verwerping murmureren, stellen wij deze uitspraak des Apostels: O mens, wie zijt gij, die tegen God antwoordt? (Rom. 9: 20), en deze van onzen Zaligmaker: Is het Mij niet geoorloofd, te doen met het mijne wat Ik wil? (Matth. 20: 15).
    Wij daarentegen, deze verborgenheden met een Godvruchtige eerbiedigheid aanbiddende, roepen uit met den Apostel: O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods! Hoe ondoorzoekelijk zijn zijn oordelen, en onnaspeurlijk zijn wegen! Want wie heeft den zin des Heeren gekend? Of wie is zijn raadsman geweest? Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem weder vergolden worden? Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen (Rom. 11: 33-36).

    De rechtzinnige leer van de verkiezing en verwerping verklaard zijnde, verwerpt de Synode de dwalingen dergenen:

    1. Die leren: "dat de wil Gods van zalig te maken degenen, die zouden geloven en in het geloof en de gehoorzaamheid des geloofs zouden volharden, het ganse en gehele besluit van de Verkiezing ter zaligheid is, en dat er niets anders van dit besluit in het Woord Gods is geopenbaard."
    Want deze bedriegen de eenvoudigen, en wederspreken klaarlijk de Heilige Schrift, die getuigt, dat God niet alleen degenen, die geloven zullen, wil zalig maken, maar dat Hij ook enige bepaalde mensen van eeuwigheid heeft uitverkoren, welke Hij in den tijd, boven anderen met het geloof in Christus en met volstandigheid zou begiftigen,gelijk geschreven is: Ik heb u naam geopenbaard den mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt (Joh. 17:6);en: Er geloofden zo velen, als er geordineerd waren tot het eeuwige leven (Hand. 13:48);en: Hij heeft ons uitverkoren in Hem, vóór de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn, enz. (Efeze 1:4).
    2. Die leren: "dat de Verkiezing Gods ten eeuwigen leven velerlei is: de ene algemeen en onbepaald, de andere bijzonder en bepaald; en dat deze wederom òf onvolkomen, herroepelijk, niet beslissend en voorwaardelijk is, òf volkomen, onherroepelijk, beslissend en volstrekt". Insgelijks: "dat er een andere Verkiezing is tot het geloof, een andere tot de zaligheid, alzo, dat de Verkiezing tot het rechtvaardigmakend geloof kan zijn zonder de beslissende Verkiezing ter zaligheid".
    Want dit is een gedichtsel van 's mensen hersenen, buiten de Schrift uitgedacht, waardoor de leer van de Verkiezing verdorven, en deze gulden keten van onze zaligheid verbroken wordt: Die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt (Rom. 8:30).
    3. Die leren: "dat het welbehagen en voornemen Gods, van hetwelk de Schrift in de leer van de Verkiezing gewag maakt, niet daarin bestaat, dat God enige bijzondere mensen boven anderen heeft uitverkoren;
    4. Die leren: "dat in de Verkiezing tot het geloof deze voorwaarde te voren vereist wordt, dat de mens het licht der natuur recht gebruike, vroom zij, klein, nederig en ten eeuwigen leven geschikt, gelijk alsof aan die dingen de Verkiezing enigszins hing".
    Want dit smaakt naar het gevoelen van Pelagius, en strijdt tegen de leer des Apostels, waar hij schrijft:Wij hebben eertijds verkeerd in de begeerlijkheden onzes vleses, doende den wil des vleses en der gedachten, en wij waren van nature kinderen des toorn, gelijk ook de anderen; maar God, die rijk is in barmhartigheid, door zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus; (uit genade zijt gij zalig geworden), en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus; opdat Hij zou betonen in de toekomende eeuwen den uitnemenden rijkdom zijner genade, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus. Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme (Ef. 2:3-9).
    5. Die leren: "dat de onvolkomen en niet-beslissende Verkiezing van bijzondere personen ter zaligheid geschied is uit het voorgezien geloof, bekering, heiligheid, Godzaligheid, die òf eerst begonnen, òf ook een tijd lang geduurd hebben;maar dat de volkomen en beslissende Verkiezing geschied is uit de voorgeziene volharding tot den einde toe in het geloof, bekering, heiligheid en Godzaligheid; en dat dit is de genadige en evangelische waardigheid, om welker wil hij, die verkoren wordt, waardiger is dan hij, die niet verkoren wordt;en dat derhalve het geloof, heiligheid, Godzaligheid en volharding niet zijn vruchten van de onveranderlijke Verkiezing ter heerlijkheid, maar dat het zijn voorwaarden, die te voren vereist, en als volbracht wezende, voorzien zijn in degenen, die ten volle verkoren zullen worden, en oorzaken, zonder welke de onveranderlijke Verkiezing ter heerlijkheid niet geschied".
    Hetwelk strijdt tegen de gehele Schrift, die deze en diergelijke uitspraken in onze oren en harten telkens inscherpt:De verkiezing is niet uit de werken, maar uit den Roepende (Rom. 9:11).
    Daar geloofden zo velen, als er geordineerd waren ten eeuwigen leven (Hand. 13:48).
    Hij heeft ons uitverkoren in Hem, opdat wij zouden heilig zijn (Ef. 1:4).
    Gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren (Joh. 15:16).
    Indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken (Rom. 11:6).
    Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad, en zijn Zoon gezonden heeft (1 Joh. 4:10).
    6. Die leren: "dat niet alle Verkiezing ter zaligheid onveranderlijk is; maar dat sommige uitverkorenen, niettegenstaande enig besluit Gods, kunnen verloren gaan en gaan ook eeuwiglijk verloren".
    7. Die leren: "dat er in dit leven geen vrucht en geen gevoel is van de onveranderlijke Verkiezing ter heerlijkheid; ook geen zekerheid, dan die hangt aan een veranderlijke en onzekere voorwaarde".
    8. Die leren: "dat God van niemand louter uit kracht van zijn rechtvaardigen wil besloten heeft, hem in den val van Adam en in den gemenen stand der zonde en verdoemenis te laten, of in de mededeling van de genade, die tot het geloof en de bekering nodig is, voorbij te gaan".
    9. Die leren: "dat de oorzaak, waarom God tot het éne volk meer dan tot het andere het Evangelie zendt, niet is louter en eniglijk het welbehagen Gods, maar omdat het éne volk beter en waardiger is dan het andere, aan hetwelk het Evangelie niet wordt medegedeeld".
    Want dit ontkent Mozes, het Israëlitische volk aldus aansprekende: Ziet, des Heeren uws Gods is de hemel, en de hemel der hemelen, de aarde, en al wat daarin is. Alleenlijk heeft de Heere lust gehad aan uw vaderen, om die lief te hebben; en heeft hun zaad na hen, ulieden, uit alle volken verkoren, gelijk het te dezen dage is (Deut. 10:14,15);
    en Christus zeggende: Wee u, Chorazin, wee u, Bethsaïda; want zo in Tyrus en Sidon de krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden zich eertijds in zak en as bekeerd hebben (Matth. 11:21).

    Hoofdstuk 2

    Van de dood van Christus, en de verlossing der menschen door dezen.

    1. God is niet alleen ten hoogste barmhartig, maar ook ten hoogste rechtvaardig. En zijn gerechtigheid (gelijk Hij zich in zijn Woord geopenbaard heeft) vereist, dat onze zonden, tegen zijn oneindige Majesteit begaan, niet alleen met tijdelijke, maar ook met eeuwige straffen, beide naar ziel en lichaam, gestraft worden;
    2. Maar alzo wij zelf niet kunnen genoeg doen, en ons van den toorn Gods bevrijden, zo heeft God uit oneindige barmhartigheid zijn eniggeboren Zoon ons tot een borg gegeven, die, opdat Hij voor ons zoude genoeg doen, voor ons of in onze plaats, zonde en vervloeking aan het kruis geworden is.
    3. Deze dood des Zoons Gods is de enige en volmaakte offerande en genoegdoening voor de zonden; van oneindige kracht en waadigheid, overvloediglijk genoegzaam tot verzoening van de zonden der ganse wereld.
    4. En deze dood is daarom van zo grote kracht en waardigheid, omdat de persoon, die dien geleden heeft, niet alleen een waarachtig en volkomen heilig mens is, maar ook de eniggeboren Zoon Gods, van éénzelfde eeuwig en oneindig wezen met den Vader en den Heiligen Geest, zodanig als onze Zaligmaker wezen moest.
    Daarenboven, omdat zijn dood is vergezelschapt geweest met het gevoel van den toorn Gods en van den vloek, dien wij door onze zonden verdiend hadden.
    5. Voorts is de belofte des Evangelies, dat een iegelijk, die in den gekruisigden Christus gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe;
    6. Doch dat velen, door het Evangelie geroepen zijnde, zich niet bekeren, noch in Christus geloven, maar in ongeloof vergaan, zulks geschiedt niet door gebrek of ongenoegzaamheid van de offerande van Christus, aan het kruis geofferd, maar door hun eigen schuld.
    7. Maar zo velen als waarachtiglijk geloven, en door den dood van Christus van de zonden en het verderf verlost en behouden worden, die genieten deze weldaad alleen uit Gods genade, hun van eeuwigheid in Christus gegeven, welke genade Hij niemand schuldig is.
    8. Want dit is geweest de ganse vrije raad, de genadige wil en het voornemen Gods des Vaders, dat de levensmakende en zaligmakende kracht van den dierbaren dood zijns Zoons zich uitstrekken zou tot alle uitverkorenen, om die alleen met het rechtvaardigmakend geloof te begiftigen, en door ditzelve onfeilbaar tot de zaligheid te brengen;
    9. Deze raad, voortkomende uit de eeuwige liefde Gods tot de uitverkorenen, is van den aanbeginne der wereld tot op dezen tegenwoordigen tijd (de poorten der hel zich tevergeefs daartegenstellende) krachtiglijk vervuld geweest, en zal ook voortaan vervuld worden, alzo dat de uitverkorenen te zijner tijd tot één vergaderd zullen worden,en dat er altijd zal zijn een Kerk der gelovigen, gefundeerd in het bloed van Christus, dewelke Hem, haar Zaligmaker, die voor haar, als een bruidegom voor zijn bruid, aan het kruis zijn leven overgegeven heeft, standvastiglijk beminnen, geduriglijk dienen, en hier en in alle eeuwigheid prijzen.

    De rechte leer verklaard zijnde, verwerpt de Synode de dwalingen dergenen,

    1.Die leren: "dat God de Vader zijn Zoon tot den dood des kruises verordineerd heeft, zonder zekeren en bepaalden raad van iemand zekerlijk zalig te maken; alzo dat de noodzakelijkheid, nuttigheid en waardigheid van de verwerving des doods van Christus wel zouden hebben kunnen bestaan, en in alle delen volmaakt, volkomen en in haar geheel blijven, zelfs al ware het, dat de verworven verlossing niet één enig mens immermeer metterdaad ware toegeëigend geweest".
    Want deze leer strekt tot versmading van de wijsheid des Vaders en van de verdiensten van Jezus Christus, en strijd tegen de Schrift.
    Want zo zegt onze Zaligmaker: Ik stel mijn leven voor mijn schapen en Ik ken ze (Joh. 10:15,27);en de profeet Jesaja van den Zaligmaker: Als zijn ziel zich ten schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien; Hij zal de dagen verlengen; en het welbehagen des Heren zal door zijn hand gelukkiglijk voortgaan (Jes. 53:10).Eindelijk, zij stoot om het artikel des geloofs, waarmede wij geloven: De algemene Christelijke Kerk.
    2. Die leren: "dat dit het doel van den dood van Christus niet geweest is, dat Hij metterdaad het nieuwe Verbond der genade door zijn bloed zou bevestigen; maar alleen, dat Hij den Vader een bloot recht zou verwerven, om met de mensen wederom zodanig verbond als het Hem believen zou, hetzij der genade of der werken, te kunnen oprichten".
    3. Die leren: "dat Christus door zijn genoegdoening voor niemand zekerlijk de zaligheid zelf, en het geloof, waardoor deze genoegdoening van Christus tot zaligheid krachtiglijk toegeëigend wordt, verdiend heeft;maar alleen voor den Vader verworven heeft de macht of den volkomen wil, om opnieuw met de mensen te handelen, en nieuwe voorwaarden, zulke als Hij zou willen, voor te schrijven, van dewelke de volbrenging aan den vrijen wil des mensen hangen zou;en dat het derhalve had kunnen geschieden, dat òf niemand, òf alle mensen, die zouden vervullen".
    Want deze gevoelen al te verachtelijk van den dood van Christus, erkennen geenszins de voornaamste vrucht of weldaad, door deze verkregen, en brengen wederom uit de hel te voorschijn de Pelagiaanse doling.
    4. Die leren: "dat het nieuwe Verbond der genade, dat God de Vader, door tussenkomen van den dood van Christus, met de mensen gemaakt heeft, niet daarin bestaat, dat wij door het geloof, voor zoveel het de verdiensten van Christus aanneemt, voor God gerechtvaardigd en zalig gemaakt worden;
    5. Die leren: "dat alle mensen in staat der verzoening en de genade des Verbonds zijn aangenomen, zodat niemand om de erfzonde der verdoemenis schuldig is of verdoemd zal worden; maar dat alle mensen van de schuld dezer zonde vrij zijn".
    6. Die het onderscheid tussen verwerving en toeëigening daartoe gebruiken, opdat zij de onvoorzichtigen en onervarenen dit gevoelen zouden kunnen inplanten, "dat God zoveel Hem aangaat, alle mensen die weldaden, die door de dood van Christus verkregen worden, gelijkelijk heeft willen mededelen;maar dat sommigen de vergeving der zonden en het eeuwige leven deelachtig worden, anderen niet, dat zulk onderscheid hangt aan hun vrijen wil, dewelke zichzelf voegt bij de genade, die zonder onderscheid aangeboden wordt, en dat het niet hangt aan die bijzondere gave der barmhartigheid, die krachtiglijk in hen werkt, opdat zij zichzelf die genade boven anderen zouden toeëigenen".
    Want deze, zich houdende, alsof zij dit onderscheid in een gezonde mening voorstelden, trachten het volk het verderfelijk venijn van de Pelagiaanse dwalingen in te geven.
    7. Die leren: "dat Christus voor diegenen, die God ten hoogste liefheeft en ten eeuwigen leven heeft verkoren, niet heeft kunnen noch moeten sterven, en ook niet gestorven is, naardien dezulken den dood van Christus niet van node hebben".

    Hoofdstuk 3 en 4

    Van des menschen verdorvenheid en bekering tot God en de manier van deze.

    1. De mens is van den beginne naar het beeld Gods geschapen, versierd in zijn verstand met ware en zalige kennis van zijn Schepper en andere geestelijke dingen; in zijn wil en zijn hart met gerechtigheid; in al zijn genegenheden met zuiverheid; en is overzulks geheel heilig geweest.
    2. Zodanig als nu de mens geweest is na den val, zodanige kinderen heeft hij ook voortgebracht, namelijk hij, verdorven zijnde, verdorvene; alzo dat de verdorvenheid, naar Gods rechtvaardig oordeel, van Adam op al zijn nakomelingen (uitgenomen alleen Christus) gekomen is, niet door navolging, gelijk eertijds de Pelagianen gedreven hebben, maar door voortplanting der verdorven natuur.
    3. Overzulks zo worden alle mensen in zonden ontvangen, en als kinderen des toorns geboren, onbekwaam tot enig zaligmakend goed, geneigd tot kwaad, dood in zonden en slaven der zonde.
    4. Wel is waar, dat na den val in den mens enig licht der natuur nog overgebleven is, waardoor hij behoudt enige kennis van God, van de natuurlijke dingen, van het onderscheid tussen hetgeen betamelijk en onbetamelijk is, en ook betoont enige betrachting tot de deugd en tot uiterlijke tucht.
    5. Gelijk het met het licht der natuur toegaat, zo gaat het ook in deze toe met de wet der tien geboden, van God door Mozes den Joden in het bijzonder gegeven.
    6. Hetgeen dan noch het licht der natuur, noch de Wet doen kan, dat doet God door de kracht des Heiligen Geestes, en door het Woord of de bediening der verzoening, welke is het Evangelie van den Messias, waardoor het God behaagd heeft de gelovige mensen, zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament, zalig te maken.
    7. Deze verborgenheid van zijn wil heeft God in het Oude Testament aan weinigen ontdekt, doch in het Nieuwe Testament (het onderscheid der volken nu weggenomen zijnde) heeft Hij haar aan meer mensen geopenbaard.
    8. Doch zovelen als er door het Evangelie geroepen worden, die worden ernstiglijk geroepen.
    9. Dat er velen, door de bediening des Evangelies geroepen zijnde, niet komen en niet bekeerd worden, daarvan is de schuld niet in het Evangelie, noch in Christus, door het Evangelie aangeboden zijnde, noch in God, die door het Evangelie roept, en zelfs ook dien Hij roept, onderscheiden gaven mededeelt;
    10. Maar dat anderen, door de bediening des Evangelies geroepen zijnde, komen, en bekeerd worden, dat moet men de mens niet toeschrijven, alsof hij zichzelf door zijn vrijen wil zou onderscheiden van anderen, die met even grote of genoegzame genade tot het geloof en de bekering voorzien zijn (hetwelk de hovaardige ketterij van Pelagius stelt);
    11. Voorts wanneer God dit zijn welbehagen in de uitverkorenen uitvoert, of de ware bekering in hen werkt, zo is het dat Hij niet alleen het Evangelie hun uiterlijk doet prediken, en hun verstand krachtiglijk door den Heiligen Geest verlicht, opdat zij recht zouden verstaan en onderscheiden die dingen, die des Geestes Gods zijn;
    12. En dit is die wedergeboorte, die vernieuwing, nieuwe schepping, opwekking van de doden, en levendmaking, waarvan zo heerlijk in de Schriften gesproken wordt, dewelke God zonder ons in ons werkt.
    13. De wijze van deze werking kunnen de gelovigen in dit leven niet volkomenlijk begrijpen; ondertussen stellen zij zich daarin gerust, dat zij weten en gevoelen, dat zij door deze genade Gods met het hart geloven, en hun Zaligmaker liefhebben.
    14. Zo is dan het geloof een gave Gods; niet omdat het aan den vrijen wil des mensen van God wordt aangeboden, maar omdat het den mens metterdaad wordt medegedeeld, ingegeven, en ingestort;
    15. Deze genade is God aan niemand schuldig; want wat zou Hij schuldig zijn dengenen, die Hem niets eerst geven kan, opdat het hem vergolden worde? Ja, wat zou God dien schuldig zijn, die van zichzelf niet anders heeft dan zonde en leugen?
    16. Doch gelijk de mens door den val niet heeft opgehouden een mens te zijn, begaafd met verstand en wil, en gelijk de zonde, die het ganse menselijk geslacht heeft doordrongen, de natuur des mensen niet heeft weggenomen, maar verdorven en geestelijker wijze gedood;
    17. Gelijk ook die almachtige werking Gods, waardoor Hij dit ons natuurlijk leven voortbrengt en onderhoudt, niet uitsluit, maar vereist het gebruik der middelen, door welke God naar zijn oneindige wijsheid en goedheid deze zijn kracht heeft willen uitoefenen;

    De rechtzinnige leer verklaard zijnde, verwerpt de Synode de dwalingen dergenen,

    1. Die leren: "dat men eigenlijk niet zeggen kan, dat de erfzonde in zichzelf genoegzaam is om het ganse menselijk geslacht te verdoemen, of om tijdelijke en eeuwige straffen te verdienen".
    Want deze wederspreken den Apostel, die daar zegt: Door één mens is de zonde in de wereld ingekomen, en door de zonde de dood; en alzo is de dood tot alle mensen doorgegaan, in welken allen gezondigd hebben (Rom. 5:12);en: De schuld is uit één misdaad tot verdoemenis (Rom. 5:16);en: De bezoldiging der zonde is de dood (Rom. 6:23).
    2. Die leren: "dat de geestelijke gaven, of de goede hoedanigheden en deugden, als daar zijn: goedheid, heiligheid, rechtvaardigheid, in den wil des mensen, als hij eerst geschapen werd, niet konden zijn, en dat zij diensvolgens in zijn val niet hebben kunnen gescheiden worden".
    3. Die leren: "dat in den geestelijken dood de geestelijke gaven niet van des mensen wil zijn gescheiden, nademaal de wil in zichzelf nooit is verdorven geweest, maar alleen door de duisternis des verstands en de ongeregeldheid der geneigdheden verhinderd;
    4. Die leren: "dat de onwedergeboren mens niet eigenlijk noch geheellijk dood is in de zonde, of ontbloot van alle krachten tot het geestelijk goed; maar dat hij nog kan hongeren en dorsten naar de gerechtigheid en het leven, en offeren een offerande eens verslagenen en verbrokenen geestes, die Gode aangenaam is".
    5. Die leren: "dat de verdorven en natuurlijke mens de gemene genade (waardoor zij verstaan het licht der natuur), of de gaven, hem na en val nog overgelaten, zo wel gebruiken kan, dat hij door dat goed gebruik een meerdere, namelijk de evangelische of zaligmakende genade en de zaligheid zelf allengskens en bij trappen zou kunnen bekomen.
    6. Die leren: "dat in de ware bekering des mensen geen nieuwe hoedanigheden, krachten of gaven in den wil door God kunnen ingestort worden, en dat, overzulks het geloof, waardoor wij eerst bekeerd worden, en waarvan wij gelovigen genoemd worden, niet is een hoedanigheid of gave, van God ingestort, maar alleen een daad des mensen, en dat het niet anders kan gezegd worden een gave te zijn, dan ten aanzien van de macht om tot hetzelve te komen".
    7. Die leren: "dat de genade, waardoor wij tot God bekeerd worden, niet anders is dan een zachte aanrading;
    8. Die leren: "dat God zulke krachten zijner almogendheid in de wedergeboorte des mensen niet gebruik, waardoor Hij diens wil krachtiglijk en onfeilbaar zou buigen tot geloof en bekering;
    9. Die leren: "dat de genade en de vrije wil gedeeltelijke oorzaken zijn, die beide te zamen het begin van de bekering werken, en dat de genade in orde van werking niet gaat vóór de werking van den wil;dat is, dat God niet eer den wil des mensen krachtiglijk helpt tot de bekering, dan wanneer de wil des mensen zichzelf beweegt en daartoe bepaalt".
    Want de oude Kerk heeft deze leer al overlang in de Pelagianen veroordeeld, uit de woorden des Apostels: Zo is het dan niet desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods (Rom. 9:16).
    Insgelijks: Wat onderscheidt u? En wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen? (1 Kor. 4:7);en: Het is God, die in u werkt beide het willen en het werken, naar zijn welbehagen (Fil. 2:13).

    Hoofstuk 5

    Van de volharding der heiligen.

    1. Die God naar zijn voornemen tot de gemeenschap van zijn Zoon, onzen Heere Jezus Christus, roept, en door den Heiligen Geest wederbaart, die verlost Hij wel van de heerschappij en slavernij der zonde, doch Hij verlost hen in dit leven niet ganselijk van het vlees en het lichaam der zonde.
    2. Hieruit spruiten de dagelijkse zonden der zwakheid, en ook aan de allerbeste werken der heiligen kleven gebreken.
    3. Uit oorzaak van deze overblijfselen der inwonende zonde, en ook vanwege de aanvechtingen der wereld, en des satans, zouden de bekeerden in die genade niet kunnen volstandig blijven, zo zij aan hun eigen krachten overgelaten werden.
    4. En hoewel die macht Gods, waardoor Hij de ware gelovigen in de genade bevestigt en bewaart, meerder is, dan dat zij van het vlees zou kunnen overwonnen worden, zo worden nochtans de bekeerden niet altijd alzo van God geleid en bewogen, dat zij in sommige bijzondere daden door hun eigen schuld van de leiding der genade niet zouden kunnen afwijken, en van de begeerlijkheden des vleses verleid worden, en die volgen.
    5. Met zodanige grove zonden vertoornen zij God zeer, vervallen in schuld des doods, bedroeven den Heiligen Geest, verbreken voor een tijd de oefening des geloofs, verwonden zwaarlijk hun consciëntie, en verliezen somwijlen voor een tijd het gevoel der genade;totdat hun, wanneer zij door ernstige boetvaardigheid op den weg wederkeren, het vaderlijk aanschijn Gods opnieuw verschijnt.
    6. Want God, die rijk is in barmhartigheid, neemt, naar het onveranderlijk voornemen der verkiezing, den Heiligen Geest van de zijnen, ook zelfs in hun droevig vallen, niet geheel weg, noch laat hen zó ver niet vervallen, dat zij van de genade der aanneming en van den staat der rechtvaardigmaking uitvallen, of dat zij zondigen ter dood, of tegen den Heiligen Geest, en, van Hem geheel verlaten zijnde, zichzelf in het eeuwig verderf storten.
    7. Want, eerstelijk, in zulk vallen bewaart Hij nog in hen dit zijn onverderfelijk zaad, waaruit zij wedergeboren zijn, opdat het niet verga, noch uitgeworpen worde.
    8. Alzo verkrijgen zij dan dit, niet door hun verdiensten of krachten, maar uit de genadige barmhartigheid Gods, dat zij noch ganselijk van het geloof en de genade uitvallen, noch tot het einde toe in de val blijven of verloren gaan.
    9. Van deze bewaring der uitverkorenen tot de zaligheid, en van de Volharding der ware gelovigen in het geloof, kunnen de gelovigen zelf verzekerd zijn, en zij zijn het ook naar de mate des geloofs, waarmede zij zekerlijk geloven, dat zij zijn en altijd blijven zullen ware en levende leden der Kerk, dat zij hebben vergeving der zonden, en het eeuwige leven.
    10. En diensvolgens spruit deze verzekerdheid niet uit enige bijzondere openbaring, zonder of buiten het Woord geschied, maar uit het geloof aan de beloften Gods, die Hij in zijn Woord zeer overvloedig tot onzen troost geopenbaard heeft;
    11. Ondertussen getuigt de Schrift, dat de gelovigen in dit leven tegen onderscheiden twijfelen des vleses strijden, en in zware aanvechting gesteld zijnde, dit volle betrouwen des geloofs en deze zekerheid der Volharding niet altijd gevoelen.
    12. Doch zó ver is het van daar, dat deze verzekerdheid der Volharding de ware gelovigen hovaardig en vleselijkzorgeloos zou maken, dat zij daarentegen een ware wortel is van nederigheid, kinderlijke vrees, Godzaligheid, lijdzaamheid in allen strijd, vurige gebeden, standvastigheid in het kruis en in de belijdenis der waarheid, mitsgaders van vaste blijdschap in God;en dat de overdenking van die weldaad hun een prikkel is tot ernstige en gedurige betrachting van dankbaarheid en goede werken;gelijk uit de getuigenissen der Schrift en de voorbeelden der heiligen blijkt.
    13. Wanneer ook het vertrouwen der Volharding wederom levend wordt in degenen, die van den val weder opgericht worden, zo brengt dat in hen niet voort enige dartelheid of veronachtzaming der Godzaligheid,
    14. Gelijk het God nu beliefd heeft dit zijn werk der genade door de prediking des Evangelies in ons te beginnen, alzo bewaart, achtervolgt en volbrengt Hij het door het horen, lezen en overleggen daarvan, mitsgaders door vermaningen, bedreigingen, beloften en het gebruik der Heilige Sacramenten.
    15. Deze leer van de Volharding der ware gelovigen en heiligen, mitsgaders van de verzekerdheid dezer Volharding, welke God, tot zijns naams eer en tot troost der Godvruchtige zielen, in zijn Woord zeer overvloediglijk geopenbaard heeft, en in de harten der gelovigen indrukt, wordt wel van het vlees niet begrepen, en wordt van den satan gehaat, van de wereld bespot, van de onervarenen en schijnheiligen misbruikt, en van de dwaalgeesten bestreden;

    De rechtzinnige leer verklaard zijnde, verwerpt de Synode de dwalingen dergenen,

    1.Die leren: "dat de Volharding der ware gelovigen niet is een vrucht der verkiezing, of een gave Gods, door den dood van Christus verworven; maar een voorwaarde des nieuwen Verbonds, die de mens, vóór zijn beslissende (gelijk zij spreken) verkiezing en rechtvaardigmaking door zijn vrijen wil moet volbrengen".
    Want de Heilige Schrift getuigt, dat zij uit de verkiezing volgt en door de kracht des doods, der verrijzenis en der voorbidding van Christus den uitverkorenen gegeven wordt: De uitverkorenen hebben het verkregen, en de anderen zijn verhard geworden (Rom. 11:7).
    Insgelijks: Die ook zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken? Wie zal beschuldigingen inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, die rechtvaardig maakt. Wie is het, die verdoemt? Christus is het, die gestorven is; ja, wat meer is, die ook opgewekt is; die ook ter rechterhand Gods is; die ook voor ons bidt. Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? (Rom. 8:32-35).
    2. Die leren: "dat God den gelovigen mens wel voorziet met genoegzame krachten om te volharden, en bereid is die in hem te bewaren, zo hij zijn plicht doet;
    3. Die leren: "dat de ware gelovigen en wedergeborenen niet alleen van het rechtvaardigmakend geloof, insgelijks, van de genade en zaligheid ganselijk en tot het einde toe kunnen uitvallen, maar ook dikwijls metterdaad van haar uitvallen en in der eeuwigheid verloren gaan".
    4. Die leren: "dat de ware gelovigen en wedergeborenen kunnen zondigen de zonde tot den dood, of tegen den Heiligen Geest".
    5. Die leren: "dat men geen zekerheid van de toekomende Volharding in dit leven kan hebben zonder bijzondere openbaring".
    6. Die leren: "dat de leer van de verzekerdheid der Volharding en der zaligheid uit haar eigen aard en natuur een oorkussen des vleses is, en voor de Godvruchtigheid, goede zeden, gebeden andere heilige oefeningen schadelijk; maar dat het daarentegen prijselijk is, daaraan te twijfelen".
    7. Die leren: "dat het geloof dergenen, die maar voor een tijd geloven, van het rechtvaardigmakend en zaligmakend geloof niet verschilt, dan alleen in de duurzaamheid".
    8. Die leren: "dat het niet ongerijmd is, dat de mens, zijn eerste wedergeboorte verloren hebbende, wederom opnieuw, ja menigmaal wedergeboren worde".
    9. Die leren: "dat Christus nergens gebeden heeft, dat de gelovigen in het geloof onfeilbaar zouden volharden".

    Besluit

    En dit is de naakte, eenvoudige en oprechte verklaring van de rechtzinnige leer der Vijf Artikelen, die in Nederland in verschil zijn, en meteen de verwerping der dolingen, waardoor de Nederlandse Kerken een tijd lang zijn beroerd geweest, welke verklaring en verwerping de Synode oordeelt uit het Woord Gods te zijn genomen, en met de belijdenis der Gereformeerde Kerken overeen te stemmen;waaruit klaarlijk blijkt, dat degenen, denwelken zulks het minst betaamde tegen alle waarheid, billijkheid en liefde hebben gehandeld, die het volk hebben willen wijsmaken: "dat de leer der Gereformeerde Kerken van de Predestinatie en de aanklevende hoofdstukken, door haar eigen aard en drijving de harten der mensen van alle Godvruchtigheid en godsdienst afleidt, dat zij een oorkussen is voor het vlees van den duivel, en een burcht des satans, waaruit hij allen mensen lagen legt, het merendeel van hen verwondt en velen van hen met de pijlen òf der wanhoop òf der zorgeloosheid dodelijk doorschiet.Dat die leer God maakt een auteur der zonde, onrechtvaardigheid, een tiran, en huichelaar, en dat zij niets anders is dan een vernieuwd Stoïcisme, Manicheïsme, Libertijnschap en Turkendom; dat zij de mensen vleselijk zorgeloos maakt, als zichzelf daardoor wijs makende, dat het den uitverkorenen niet kan hinderen aan hun zaligheid, hoe zij ook leven, en zij daarom allerlei gruwelijke schelmstukken onbekommerd mogen bedrijven;dat het dengenen, die verworpen zijn, ter zaligheid niet kan baten, al ware het, dat, ofschoon zij al de werken der heiligen waarlijk mochten gedaan hebben;dat daarmede geleerd wordt, dat God door het blote en loutere goeddunken van zijn wil, zonder enig opzicht of aanmerking van enige zonde, het grootste deel der wereld tot de eeuwige verdoemenis voorbeschikt en geschapen heeft;dat de verwerping op gelijk wijze de oorzaak is der ongelovigheid en goddeloosheid, gelijk de verkiezing is de fontein en oorzaak des geloofs en der goede werken;dat vele onnozele kinderkens der gelovigen van de borsten der moeders worden afgerukt, en tiranniglijk in het helse vuur geworpen, alzo dat hun noch het bloed van Christus baten kan, noch de Doop, noch het gebed der kerken bij hun Doop;en wat dergelijke andere dingen nog veel meer zijn, die de Gereformeerde Kerken niet alleen niet bekennen, maar ook van ganser harte met verfoeiing verwerpen.
    Daarom, zo velen als er den naam onzes Zaligmakers Jezus Christus Godvruchtiglijk aanroepen, dien betuigt deze Synode van Dordrecht door den naam des Heeren, dat zij van het geloof der Gereformeerde Kerken willen oordelen, niet uit lasteringen, die hier en daar uit saamgeraapt zijn, ook niet uit private of bijzondere uitspraken van sommigen, zo oude als nieuwe Leraren, die dikwijls ook te kwader trouw aangehaald, of verdorven en in een verkeerden zin verdraaid worden;maar uit de openbare belijdenissen der Kerken zelf, en uit deze verklaring der rechtzinnige leer, die met eendrachtige overeenstemming van allen en een ieder lid der gehele Synode bevestigd is.
    Daarna vermaant dezelve Synode ook ernstiglijk de lasteraars, dat zij toezien, wat zwaar oordeel Gods zij op zich laden, die tegen zo veel Kerken en zo veler Kerken belijdenissen vals getuigenis spreken, de conscientiën der zwakken beroeren, en bij velen de gemeenschap der ware gelovigen zoeken verdacht te maken.
    Ten laatste vermaant deze Synode alle mede-dienaars in het Evangelie van Christus, dat zij zich in het verhandelen van deze leer, beide in Scholen en Kerken, Godvruchtiglijk en godsdienstiglijk gedragen;dezelve zowel met de tong als met de pen tot Gods eer, heiligheid des levens en vertroosting der verslagen gemoederen richten; dat zij met de Schrift naar de regelmaat des geloofs niet alleen gevoelen, maar ook spreken;en eindelijk van al zulke wijzen van spreken zich onthouden, die de palen van den rechten zin der Heilige Schrift, ons voorgesteld, te buiten gaan, en den dartelen Sophisten die rechtvaardige oorzaak geven mochten, om de leer der Gereformeerde Kerken te beschimpen of ook te lasteren.
    De Zoon Gods, Jezus Christus, die ter rechterhand zijns Vaders zittende, den mensen gaven geeft, heilige ons in de waarheid; brenge diegenen, die verdwaald zijn, tot de waarheid; stoppe den lasteraars van de gezonde leer hun monden; en begave de getrouwe dienaars zijns Woords met den Geest der wijsheid en des onderscheids, opdat al hun redenen mogen gedijen ter eer Gods en tot stichting der toehoorderen.

  • Heidelberger Catechismus

    Heidelberger Catechismus of onderwijzing in de Christelijke Leer, die in de Nederlandse Kerken en Scholen van reformatorische signatuur geleerd wordt. De Heidelberger Catechismus is opgesteld in 1563 door Zacharius Ursinus (1534-1683) en Casper Oliveanus (1536-1587) op last van de keurvorst Frederick III (1515-1576) van de Paltz.

    Historische achtergrond

    Keurvorst Friedrich III van de Paltz.De Heidelbergse Catechismus wordt gebruikt als belijdenisgeschrift (belijden is: naspreken wat God in de Bijbel zegt). De Heidelbergse Catechismus is vertaald in vele talen en is de invloedrijkste en meest geaccepteerde catechismus van de catechismussen die geschreven zijn ten tijde van de Reformatie. Deze Catechismus word veel gebruikt voor onderwijs in de christelijke leer aan de jeugd (catechisatie) maar ook aan de hele gemeente (d.m.v. de catechismus prediking).

    De Heidelbergse Catechismus werd geschreven in opdracht van keurvorst Frederick III, die regeerde over de Duitse provincie de Paltz van 1559 tot 1576. In die tijd was er nogal veel discussie rondom de leer van het avondmaal. Frederick III, een aanhanger van Calvijn, nam het initiatief tot het samenstellen van een nieuwe catechismus. Hij gaf deze opdracht aan Zacharius Ursinus (1534-1583), een dogmatiek-professor voor de opleiding van predikanten aan de Heidelbergse Universiteit. Ursinus schreef eerst een Grote Catechismus, waaruit hij daarna een een uittreksel maakte, zijn Kleine Catechismus. Ook heeft Caspar Olevianus (1536- 1587), voor korte tijd hoogleraar aan de Heidelbergse Universiteit en daarna hofpredikant, een deel gehad in de samenstelling van de Heidelbergse Catechismus.

    Een soort commissie, bestaande uit de leden van de theologische faculteit en enkele vooraanstaande predikanten (waaronder Olevianus), moest het manuscript toetsen dat op basis van beide catechismussen was vastgesteld. In Januari 1563 werd de Catechismus door een speciaal bijeengeroepen synode officieel verklaard. Dit resulteerde in de publicatie van de Heidelbergse Catechismus met een voorwoord van keurvorst Frederick III in februari 1563. De eerste editie was binnen een paar weken uitverkocht. Op wens van Olevianus werd in de tweede editie vraag en antwoord 80 over de roomse mis toegevoegd. Als vierde editie (Nov. 1563) was de Heidelbergse Catechismus opgenomen in de nieuwe kerkorde van de Paltz. Dit was om kerkorderlijke redenen gedaan, met het oog op de catechismus prediking in de middagdiensten.

    De Heidelbergse Catechismus werd meegebracht naar Nederland door Petrus Dathenus. Als predikant van de Nederlandse vluchtelingengemeente had Datheen al in het jaar 1563 een vertaling van de derde Duitse editie verzorgd, die hij achter zijn Psalmberijming opnam. In een tweede editie van zijn kerkboek (1566) nam de catechismus zo'n prominente plaats in dat de hele bundel er vaak naar genoemd werd. Casper OlevianusDe beroemde synode van Dordrecht (1618-19) heeft de Heidelbergse Catechismus getoetst en besloot het gebruik van de Heidelbergse Catechismus in de kerken aan te bevelen. Ook werden ondertekeningsformulieren aanvaard, die de ambtsdragers en hoogleraren moesten ondertekenen.

    De Amsterdamse predikant Petrus Gabriel moet de eerste geweest zijn die een catechismus preek gehouden heeft. Catechismus prediking werd later voorgeschreven door de Noord-Hollandse provinciale synode van Alkmaar in 1573. Dat gebeurde ook door de synode van Dordrecht (1574), de nationale synode te Dordrecht (1578), de synode van Middelburg (1581) en die van Den Haag (1586). De Dordtse synode (1618-19) onderschreef deze regel. Ook vandaag is het nog steeds de gewoonte dat 's middags een catechismuspreek wordt gehouden.

    Op de Dordtse synode (1618-19) werd de tekst van de Heidelbergse Catechismus niet vastgesteld. Dus waren er voor lange tijd verschillende versies en uitgaven in gebruik.

    Inhoud

    Het eerste deel
    Van des mensen ellende
    Het tweede deel
    Van des mensen verlossing
    Van God den Vader en onze schepping
    Van God den Zoon en onze verlossing
    Van God den Heiligen Geest en onze Heiligmaking
    Van de rechtvaardigmaking
    Van de Sacramenten
    Van den Heiligen Doop
    Van het Heilig Avondmaal onzes Heeren
    Van de sleutelen des Hemelrijks
    Het derde deel
    Van de dankbaarheid, die men Gode voor de verlossing schuldig is
    Van de Wet
    Van het gebed

    De Heidelberger Catechismus

    Zondag 1

    1. Vr. Wat is uw enige troost, beide in het leven en sterven?
    Antw: Dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven (A) niet mijn (B) maar mijns getrouwen Zaligmakers JEZUS CHRISTUS eigen ben (C), die met Zijn dierbaar bloed voor al mijn zonden volkomenlijk betaald (D) en mij uit alle heerschappij des duivels verlost heeft (E) en alzo bewaart (F), dat zonder den wil mijns hemelse Vader geen haar van mijn hoofd vallen kan (G), ja ook, dat mij alle ding tot mijn zaligheid dienen moet (H), waarom Hij mij ook door Zijn Heilige Geest van het eeuwige leven verzekert (I), en Hem voortaan te leven van harte willig en bereid maakt (K).
    2. Vr. Hoe veel stukken zijn u nodig te weten, opdat gij in deze troost zaliglijk leven en sterven moogt?
    Antw: Drie stukken (A). Ten eerste: hoe groot mijn zonden en ellende zijn (B). Ten andere: hoe ik van al mijn zonden verlost worde (C). En ten derde: hoe ik Gode voor zulke verlossing zal dankbaar zijn (D).

    Het eerste deel
    Van des mensen ellende

    Zondag 2

    3. Vr. Waaruit kent gij uw ellende?
    Antw: Uit de wet Gods (A).
    4. Vr. Wat eist de wet Gods van ons?
    Antw: Dat leert ons CHRISTUS in een hoofdsom, Matth.22:37‑40: Gij zult liefhebben den HEERE uw God met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, en met geheel uw verstand, en met geheel uw kracht. Dit is het eerste en het grote gebod. En het tweede, aan dit gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten.(A).
    5. Vr. Kunt gij dit alles volkomenlijk houden?
    Antw: Neen ik (A); want ik ben van nature geneigd, GOD en mijn naaste te haten (B).

    Zondag 3

    6. Vr. Heeft dan God den mens alzo boos en verkeerd geschapen?
    Antw: Neen Hij; maar God heeft den mens goed (A), en naar Zijn evenbeeld geschapen (B), dat is, in ware gerechtigheid en heiligheid,opdat hij God zijn Schepper recht kennen, Hem van harte liefhebben, en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zou,om Hem te loven en te prijzen (C).
    7. Vr. Vanwaar komt dan zulke verdorven aard des mensen?
    Antw: Uit den val en de ongehoorzaamheid onzer eerste voorouderen, Adam en Eva, in het Paradijs (A), waar onze natuur a; zo is verdorven geworden, dat wij allen in zonde ontvangen en geboren worden (B).
    8. Vr. Maar zijn wij alzo verdorven, dat wij ganselijk onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad?
    Antw: Ja wij (A); tenzij dan dat wij door den Geest Gods wedergeboren worden (B).

    Zondag 4

    9. Vr. Doet dan God den mens onrecht, dat Hij in zijn wet van hem eist, wat hij niet doen kan?
    Antw: Neen Hij (A); want God heeft den mens alzo geschapen, dat hij dat kon doen (B); maar de mens heeft zichzelf en al zijn nakomelingen, door het ingeven des duivels (C) , van deze gaven beroofd.
    10. Vr. Wil God zulke ongehoorzamheid en afval ongestraft laten?
    Antw: Neen Hij, geenzins; maar Hij vertoornt zich schrikkelijk (A) beide over de aangeborene en werkelijke zonden, en wil die door een rechtvaardig oordeel tijdelijk en eeuwiglijk (B); gelijk Hij gesproken heeft: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen (C).
    11. Vr. Is dan God ook niet barmhartig?
    Antw: God is wel barmhartig (A), maar Hij is ook rechtvaardig (B): daarom zo eist zijn gerechtigheid, dat de zonde, welke tegen de allerhoogste majesteit Gods gedaan is, ook met de hoogste, dat is, met de eeuwige straf aan lichaam en ziel gestraft worde.

    Het tweede deel
    Van des mensen verlossing

    Zondag 5

    12. Vr. Aangezien wij dan naar het rechtvaardig oordeel Gods tijdelijke en eeuwige straf verdiend hebben, is er enig middel, waardoor wij deze straf zouden kunnen ontgaan en wederom tot genade komen?
    Antw: God wil, dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede (A); daarom moeten wij aan haar, òf door onszelf, òf door een ander, volkomenlijk betalen (B).
    13. Vr. Maar kunnen wij door onszelf betalen?
    Antw: In generlei wijze, maar wij maken ook de schuld nog dagelijks meerder (A).
    14. Vr. Kan ook ergens een bloot schepsel gevonden worden, dat voor ons betale?
    Antw: Neen; want ten eerste wil God aan geen ander schepsel de schuld straffen, die de mens gemaakt heeft (A); ten andere zo kan ook geen bloot schepsel den last van den eeuwige toorn GODS tegen de zonde dragen en andere schepselen daarvan verlossen (B).
    15. Vr. Wat moeten wij dan voor een Middelaar en Verlosser zoeken?
    Antw: Zulk een, die waarachtig (A) en rechtvaardig (B) mens is,en nochtans ook sterker dan alle schepselen, dat is, die ook tegelijk waarachtig God is (C).

    Zondag 6

    16. Vr. Waarom moet Hij een waarachtig en rechtvaardig mens zijn?
    Antw: Omdat de rechtvaardigheid Gods vorderde, dat de menselijke natuur, die gezondigd had, voor de zonde betaalde (A); en dat een mens, zelf zondaar zijnde, niet kon voor anderen betalen (B).
    17. Vr. Waarom moet Hij tegelijk waarachtig God zijn?
    Antw: Opdat Hij, uit kracht zijner Godheid (A), den last van den toorn Gods (B), aan zijn mensheid zou kunnen dragen (C), en ons de gerechtigheid en het leven zou kunnen verwerven en wedergeven (D).
    18. Vr. Maar wie is deze Middelaar, die tegelijk waarachtig God (A) en een waarachtig (B) rechtvaardig mens is? (C).
    Antw: Onze Heere Jezus Christus (D), die ons van God tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking, en tot een volkomen verlossing geschonken is (E).
    19. Vr. Waaruit weet gij dat?
    Antw: Uit het Heilig Evangelie,hetwelk God zelf eerstelijk in het Paradijs heeft geopenbaard (A), en daarna door de heilige Patriarchen (B) en Profeten (C) laten verkondigen, en door de offerande en andere ceremoniën der Wet laten voorbeelden (D),en ten laatste door zijn eniggeboren Zoon vervuld (E).

    Zondag 7

    20. Vr. Worden dan alle mensen wederom door Christus zalig, gelijk zij door Adam zijn verdoemd geworden?
    Antw: Neen zij (A), maar alleen degenen, die Hem door een waar geloof worden ingelijfd en al Zijn weldaden aannemen (B).
    21. Vr. Wat is een waar geloof?
    Antw: Een waar geloof is een stellig weten of kennis, waardoor ik alles voor waarachtig houd, dat ons God in Zijn Woord geopenbaard heeft (A), maar ook een vast vertrouwen (B), hetwelk de Heilige Geest (C) door het Evangelie in mijn hart werkt (D), dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid (E) van God geschonken is, uit louter genade, alleen om der verdienste van Christus wil (F).
    22. Vr. Wat is dan een Christen nodig te geloven?
    Antw: Al wat ons in het Evangelie beloofd wordt (A), hetwelk ons de Artikelen van ons algemeen en ongetwijfeld Christelijk geloof in een hoofdsom leren.
    23. Vr. Hoe luiden die Artikelen?
    Antw:
    Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des Hemels en der aarde.
    En in Jezus Christus, zijn eniggeboren Zoon, onze Heere;
    die ontvangen van den Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria;
    die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle;
    ten derden dage wederom opgestaan van de doden;
    opgevaren ten hemel, zittende ter rechterhand Gods des almachtigen Vaders;
    van waar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden.
    Ik geloof in den Heiligen Geest.
    Ik geloof één heilige, algemene, Christelijke Kerk, de gemeenschap der heiligen;
    vergeving der zonden;
    wederopstanding des vleses;
    en een eeuwig leven.

    Zondag 8

    24. Vr. Hoe worden deze Artikelen gedeeld?
    Antw: In drie delen: Het eerste, is van God den Vader en onze schepping. Het andere, van God den Zoon en onze verlossing. Het derde, van God den Heiligen Geest en onze heiligmaking.
    25. Vr. Aangezien er maar een enig Goddelijk Wezen is (A), waarom noemt gij den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest?
    Antw: Omdat God zich alzo in Zijn Woord geopenbaard heeft (B), dat deze drie onderscheiden Personen de enige,waarachtige en eeuwige God zijn.

    Van God den Vader en onze schepping

    Zondag 9

    26. Vr. Wat gelooft gij met deze woorden: Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde?
    Antw: Dat de eeuwige Vader van onzen Heere Jezus Christus, die hemel en aarde, met al wat er in is, uit niet geschapen heeft (A), die ook door zijn eeuwigen raad en voorzienigheid ze nog onderhoudt en regeert (B), om zijns Zoons Christus' wil mijn God en mijn Vader is (C); op welken ik alzo vertrouw, dat ik niet twijfel, of Hij zal mij met alle nooddruft des lichaams en der ziel verzorgen (D), en ook al het kwaad, dat Hij mij in dit jammerdal toeschikt, mij ten beste keren (E); dewijl Hij zulks doen kan als een almachtig God (F), en ook (G).

    Zondag 10

    27. Vr. Wat verstaat gij door de voorzienigheid Gods?
    Antw: De almachtige en alom tegenwoordige kracht Gods (A), door welke Hij hemel en aarde, mitsgaders alle schepselen, gelijk als met zijn hand nog onderhoudt, en alzo regeert (B), dat loof en gras, regen en droogte (C), vruchtbare en onvruchtbare jaren,spijze en drank, gezondheid en krankheid(D), rijkdom en armoede (E), en alle dingen, niet bij geval, maar van zijn vaderlijke hand ons toekomen (F).
    28. Vr. Waartoe dient ons dat wij weten, dat God alles geschapen heeft en nog door zijn voorzienigheid onderhoudt?
    Antw: Dat wij in allen tegenspoed geduldig (A), in voorspoed dankbaar zijn mogen (B), en in alles, dat ons nog toekomen kan, een goed toevoorzicht hebben op onzen getrouwen God en Vader (C), dat ons geen schepsel van zijn liefde scheiden zal (D), aangezien alle schepselen alzo in zijn hand zijn, dat zij tegen zijn wil zich noch roeren, noch bewegen kunnen (E).

    Van God den Zoon en onze verlossing

    Zondag 11

    29. Vr. Waarom wordt de Zone Gods Jezus, dat is, Zaligmaker, genoend?
    Antw: Omdat Hij ons zalig maakt en van al onze zonden verlost (A); daarbenevens,dat bij niemand anders enige zaligheid te zoeken of te vinden is (B).
    30. Vr. Geloven dan die ook aan den enigen Zaligmaker Jezus, die hun zaligheid en welvaart bij de heiligen, bij zichzelf,of ergens elders zoeken?
    Antw: Neen zij; maar zij verloochenen met de daad den enigen Heiland en Zaligmaker Jezus, ofschoon zij met den mond in Hem roemen (A); want van tweeën één; òf Jezus moet geen volkomen Zaligmaker zijn, òf die dezen Zaligmaker met waar geloof aannemen, moeten alles in Hem hebben, dat tot hun zaligheid van node is (B).

    Zondag 12

    31. Vr. Waarom is Hij Christus, dat is, een Gezalfde, genaamd?
    Antw: Omdat Hij van God den Vader verordineerd is, met den Heiligen Geest gezalfd (A), tot onzen hoogsten Profeet en Leraar (B), die ons den verborgen raad en wil Gods van onze verlossing volkomenlijk geopenbaard heeft (C); en tot onzen enigen Hogepriester (D), die ons met de enige offerande zijns lichaams verlost heeft (E), en voor ons met zijn voorbidding steeds tussen treedt bij den Vader (F); en tot onzen eeuwigen Koning, die ons met zijn Woord en Geest regeert, en ons bij de verworven verlossing beschut en behoudt (G).
    32. Vr. Maar waarom wordt gij een Christen genaamd (A)?
    Antw: Omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus (B) en also zijner zalving deelachtig ben (C), opdat ik zijn naam belijde (D), en mijzelf tot een levend dankoffer Hem offere (E), en met een vrije en goede consciëntie in dit leven tegen de zonde en den duivel strijde (F), en hiernamaals in eeuwigheid met Hem over alle schepselen\ regere (G).

    Zondag 13

    33. Vr. Waarom is Hij Gods eniggeboren Zoon genaamd, zo wij toch Gods kinderen zijn?
    Antw: Daarom, dat Christus alleen de eeuwige natuurlijke Zone Gods is (A), maar wij zijn om zijnentwil uit genade tot kinderen Gods aangenomen (B).
    34. Vr. Waarom noemt gij Hem onze HEERE?
    Antw: Omdat Hij ons met lichaam en ziel van al onze zonden, niet met goud of met zilver,maar met zijn dierbaar bloed gekocht, en van alle heerschappij des duivels verlost heeft, en ons alzo zich tot een eigen gemaakt (A).

    Zondag 14

    35. Vr. Wat is dat gezegd: Die ontvangen is van den Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria?
    Antw: Dat de eeuwige Zone Gods, die waarachtig en eeuwig God is (A), en blijft (B), de ware menselijke natuur, uit het vlees en bloed der maagd Maria (C), door de werking des Heiligen Geestes, aangenomen heeft (D), opdat Hij ook het ware zaad Davids zij (E), zijn broederen in alles gelijk (F), uitgenomen de zonde (G).
    36. Vr. Wat nuttigheid verkrijgt gij door de heilige ontvangenis en geboorte van Christus?
    Antw: Dat Hij onze Middelaar is (A), en met zijn onschuld en volkomen heiligheid mijn zonde, waarin ik ontvangen en geboren ben, voor Gods aangezicht bedekt (B).

    Zondag 15

    37. Vr. Wat verstaat gij door het woordeken: Geleden?
    Antw: Dat Hij aan lichaam en ziel, den ganse tijd zijns levens op de aarde, maar inzonderheid aan het einde zijns levens, de toorn Gods tegen de zonde des gansen menselijken geslachts gedragen heeft (A), opdat Hij met zijn lijden, als met het enige zoenoffer (B), ons lichaam en onze ziel van de eeuwige verdoemenis verloste (C), en ons Gods genade, gerechtigheid en het eeuwige leven verwierf (D).
    38. Vr. Waarom heeft Hij onder de rechter Pontius Pilatus geleden?
    Antw: Opdat Hij, onschuldig onder den wereldlijken rechter veroordeeld zijnde (A), ons daarmede van het strenge oordeel Gods, dat over ons gaan zou, bevrijdde (B).
    39. Vr. Heeft dat iets meer in, dat Hij gekruisigd is geweest, dan of Hij met een anderen dood gestorven was?
    Antw: Ja het; want daardoor ben ik zeker, dat Hij de vervloeking, die op mij lag, op zich geladen heeft (A), dewijl de dood des kruises van God vervloekt was (B).

    Zondag 16

    40. Vr. Waarom heeft Christus zich tot in de dood moeten vernederen?
    Antw: Daarom dat vanwege de gerechtigheid en waarheid Gods (A), niet anders voor onze zonden kon betaald worden, dan door den dood des Zoons Gods (B).
    41. Vr. Waarom is Hij begraven geworden?
    Antw: Omdat daarmede te betuigen, dat Hij waarachtiglijk gestorven was(A).
    42. Vr. Zo dan Christus voor ons gestorven is, hoe komt het, dat wij ook moeten streven?
    Antw: Onze dood is geen betaling voor onze zonden (A), maar alleen een afsterving van de zonden en een doorgang tot het eeuwige leven (B).
    43. Vr. Wat verkrijgen wij meer voor nuttigheid uit de offerande en den dood van Christus aan het kruis?
    Antw: Dat door Zijn kracht onze oude mens met Hem gekruisigd, gedood en begraven wordt (A), opdat de boze lusten des vleses in ons niet meer regeren (B), maar dat wij onszelf Hem tot een offerande der dankbaarheid opofferen (C).
    44. Vr. Waarom volgt daar: Nedergedaald ter helle?
    Antw: Opdat ik in mijn hoogste aanvechtingen verzekerd zij en mij ganselijk vertrooste, dat mijn Heere Jezus Christus door zijn onuitsprekelijke benauwdheid, smarten, verschrikking en helse kwelling, in welke Hij in zijn ganse lijden (A), (maar in zonderheid aan het kruis) gezonken was, mij van de helse benauwdheid en pijn verlost heeft (B).

    Zondag 17

    45. Vr. Wat nut ons de opstanding van Christus?
    Antw: Ten eerste, heeft Hij door zijn opstanding den dood overwonnen, opdat Hij ons de gerechtigheid, die Hij door zijn dood ons verworpen had, kon deelachtig maken (A). Ten andere, worden ook wij door zijn kracht opgewekt tot een nieuw leven (B). Ten derde, is ons de opstanding van Christus een zeker pand onzer zalige opstanding (C).

    Zondag 18

    46. Vr. Wat verstaat gij daarmede: Opgevaren ten hemel?
    Antw: Dat Christus voor de ogen zijner jongeren van de aarde ten hemel is opgeheven (A), en dat Hij ons ten goede daar is (B), totdat Hij wederkomt om te oordelen de levenden en de doden (C).
    47. Vr. Is dan Christus niet bij ons tot aan het einde der wereld, gelijk Hij beloofd heeft (A)?
    Antw: Christus is waarachtig mens en waarachtig God. Naar zijn menselijke natuur is Hij niet meer op aarde (B); maar naar zijn Godheid, majesteit, genade en Geest wijkt Hij nimmermeer van ons (C).
    48. Vr. Maar zo de mensheid niet overal is waar de Godheid is, worden dan de twee naturen in Christus niet van elkander gescheiden?
    Antw: Ganselijk niet; want dewijl de Godheid door niets kan ingesloten worden en overal tegenwoordig is (A), zo moet volgen, dat zij wel buiten haar aangenomen mens is (B), en nochtans niettemin ook in haar is en persoonlijk met haar verenigd blijft.
    49. Vr. Wat nut ons de hemelvaart van Christus?
    Antw: Ten eerste, dat Hij in den hemel voor het aangezicht zijns Vaders onze Voorspreker is (A). Ten andere, dat wij ons vlees in den hemel tot een zeker pand hebben, dat Hij, als het Hoofd, ons, zijn lidmaten, ook tot zich zal nemen (B). Ten derde, dat Hij ons zijn Geest tot een tegenpand zendt (C), door wiens kracht wij zoeken dat daarboven is, waar Christus is, zittende ter rechterhand Gods, en niet dat op de aarde is (D).

    Zondag 19

    50. Vr. Waarom wordt daarbij gezet: Zittende ter rechterhand Gods?
    Antw: Dewijl Christus daarom ten hemel gevaren is, opdat Hij zichzelf daar bewijze als het Hoofd zijner Christelijke Kerk (A), door wien de Vader alle ding regeert (B).
    51. Vr. Wat nuttigheid brengt ons deze heerlijkheid van ons Hoofd Christus?
    Antw: Eerstelijk, dat Hij door zijn Heiligen Geest in ons, zijn lidmaten, de hemelse gaven uitgiet (A). Daarna, dat Hij ons met zijn macht tegen alle vijanden beschut en bewaart (B).
    52. Vr. Wat troost u de wederkomst van Christus om te oordelen de levenden en de doden?
    Antw: Dat ik in alle droefenis en vervolging met opgerichten hoofde even Denzelfde, die zich tevoren om mijnentwil voor Gods gericht gesteld en al den vloek van mij weggenomen heeft, tot een Rechter uit den hemel verwachte (A), die al zijn en mijn vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen (B), maar mij met alle uitverkorenen tot zich in de hemelse blijdschap en heerlijkheid nemen zal (C).

    Van God den Heiligen Geest en onze Heiligmaking

    Zondag 20

    53. Vr. Wat gelooft gij van den Heiligen Geest?
    Antw: Eerstelijk, dat Hij te zamen met den Vader en den Zoon waarachtig en eeuwig God is (A). Ten andere, dat Hij ook mij gegeven is (B), opdat Hij mij door een waar geloof Christus en al zijn weldaden deelachtig make (C), mij trooste (D), en bij mij eeuwiglijk blijve (E).

    Zondag 21

    54. Vr. Wat gelooft gij van de heilige algemene Christelijke Kerk?
    Antw: Dat de Zone Gods (A) uit het ganse menselijke geslacht (B) zich een gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren (C), door zijn Geest en Woord (D), in enigheid des waren geloofs (E), van den beginne der wereld tot aan het einde (F), vergadert, beschermt en onderhoudt (G); en dat ik daarvan een levend lidmaat ben (H), en eeuwig zal blijven (I).
    55. Vr. Wat verstaat gij door de gemeenschap der heiligen?
    Antw: Eerstelijk, dat de gelovigen, allen en een iegelijk, als lidmaten aan den Heere Christus en al zijn schatten en gaven gemeenschap hebben (A). Ten andere, dat elk zich moet schuldig weten, zijn gaven ten nutte en ter zaligheid der andere lidmaten gewilliglijk en met vreugde aan te wenden (B).
    56. Vr. Wat gelooft gij van de vergeving der zonden?
    Antw: Dat God, om des genoegdoens van Christus' wil, al mijn zonden, ook mijn zondige aard, waarmede ik al mijn leven lang te strijden heb (A), nimmermeer wil gedenken, maar mij uit genade de gerechtigheid van Christus schenken (B), opdat ik nimmermeer in het gericht Gods kome (C).

    Zondag 22

    57. Vr. Wat troost geeft u de opstanding des vleses?
    Antw: Dat niet alleen mijn ziel na dit leven van stonde aan tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden (A), maar dat ook dit mijn vlees, door de kracht van Christus opgewekt zijnde, wederom met mijn ziel verenigd, en aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig zal worden (B).
    58. Vr. Wat troost schept gij uit het artikel van het eeuwige leven?
    Antw: Dat, nademaal ik nu het beginsel der eeuwige vreugde in mijn hart gevoel (A), ik na dit leven volkomen zaligheid bezitten zal, die geen oog gezien, geen oor gehoord heeft, en in geens mensen hart opgeklommen is, en dat, om God daarin eeuwiglijk te prijzen (B).

    Van de rechtvaardigmaking

    Zondag 23

    59. Vr. Maar wat baat het u nu, dat gij dit alles gelooft?
    Antw: Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben, en een erfgenaam des eeuwigen levens (A).
    60. Vr. Hoe zijt gij rechtvaardig voor God?
    Antw: Alleen door een waar geloof in Jezus Christus (A); alzo dat, al is het dat mij mijn consciëntie aanklaagt, dat ik tegen al de geboden Gods zwaarlijk gezondigd en geen daarvan gehouden heb (B), en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben (C), nochtans God, zonder enige verdienste mijnerzijds (D), uit louter genade (E) mij de volkomen genoegdoening (F), gerechtigheid en heiligheid van Christus (G) schenkt en toerekent (H), evenals had ik nooit zonde gehad noch gedaan, ja, als had ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft (I), in zoverre ik zulke weldaad met een gelovig hart aanneem (K).
    61. Vr. Waarom zegt gij, dat gij alleen door het geloof rechtvaardig zijt?
    Antw: Niet, dat ik vanwege de waardigheid mijns geloofs Gode aangenaam ben; maar daarom, dat alleen de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus mijn gerechtigheid voor God is (A), en dat ik die niet ander dan alleen door het geloof aannemen en mij toeeigene kan (B).

    Zondag 24

    62. Vr. Maar waarom kunnen onze goede werken niet de gerechtigheid voor God of een stuk daarvan zijn?
    Antw: Daarom, dat de gerechtigheid, die voor Gods gericht bestaan kan, gans volkomen en der wet Gods in alle stukken gelijkvormig zijn moet (A), en dat ook onze beste werken in dit leven alle onvolkomen en met zonden bevlekt zijn (B).
    63. Vr. Hoe? Verdienen onze goede werken niet, die God nochtans in dit en in het toekomende leven wil belonen?
    Antw: Deze beloning geschiedt niet uit verdienste, maar uit genade (A).
    64. Vr. Maar maakt deze leer niet zorgeloze en goddeloze mensen?
    Antw: Neen zij; want het is onmogelijk, dat, zo wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid (A).

    Van de Sacramenten

    Zondag 25

    65. Vr. Aangezien dan alleen het geloof ons Christus en al zijn weldaden deelachtig maakt, vanwaar komt zulk geloof?
    Antw: Van den Heiligen Geest (A), die het geloof in onze harten werkt door de verkondiging des Heiligen Evangelies, en het sterkt door het gebruik van de Sacramenten (B).
    66. Vr. Wat zijn Sacramenten?
    Antw: De Sacramenten zijn heilige zichtbare waartekenen en zegelen, van God ingezet, opdat Hij ons door het gebruik daarvan de belofte des Evangelies des te beter te verstaan geve en verzegele; namelijk, dat Hij ons vanwege het enige slachtoffer van Christus, aan het kruis volbracht, vergeving der zonden en het eeuwige leven uit genade schenkt (A).
    67. Vr. Zijn dan beide, het Woord en de Sacramenten, daarhenen gericht, of daartoe verordend, dat zij ons geloof op de offerande van Jezus Christus aan het kruis, als op den enigen grond onzer zaligheid (A)?
    Antw: Ja zij toch; want de Heilige Geest leert ons in het Evangelie, en verzekert ons door de Sacramenten, dat onze volkomen zaligheid in de enige offerande van Christus staat, die voor ons aan het kruis geschied is.
    68. Vr. Hoeveel Sacramenten heeft CHRISTUS in het nieuwe Verbond of Testament ingezet?
    Antw: Twee, namelijk den Heiligen Doop en het Heilige Avondmaal.

    Van den Heiligen Doop

    Zondag 26

    69. Vr. Hoe wordt gij in den Heiligen Doop vermaand en verzekerd, dat de enige offerande van Christus, aan het kruis geschied, u ten goede komt?
    Antw: Alzo, dat Christus dit uitwendige waterbad ingezet (A) en daarbij toegezegd heeft (B), dat ik zo zekerlijk met zijn bloed en Geest van de onreinheid mijner ziel, dat is, van al mijn zonden, gewassen ben (C), al ik uitwendig met het water, hetwelk de onzuiverheid des lichaams pleegt weg te nemen, gewassen ben.
    70. Vr. Wat is dat,met het bloed en den Geest van Christus gewassen te zijn?
    Antw: Het is vergeving der zonden van God uit genade te hebben om des bloeds van Christus' wil, hetwelk Hij in zijn offerande aan het kruis voor ons uitgestort heeft (A); daarna ook, door den Heiligen Geest vernieuwd en tot lidmaten van Christus geheiligd te zijn, opdat wij hoe langer hoe meer der zonden afsterven, en in een Godzalig, onstraffelijk leven wandelen (B).
    71. Vr. Waar heeft ons Christus toegezegd, dat Hij ons zo zekerlijk met Zijn bloed en Geest wassen wil,als wij met het Doopwater gewassen worden?
    Antw: In de inzetting des Doops, welke a;zo luidt: Gaat dan henen, onderwijst al de volken, hen dopende in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; Matth.28:19. En: Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden; Mark.16:16. Deze belofte wordt ook herhaald, waar de Schrift den Doop het bad der wedergeboorte en de afwassing der zonden noemt; Titus.3:5, .22:16.

    Zondag 27

    72. Vr. Is dan het uiterlijk waterbad de afwassing der zonden zelf?
    Antw: Neen het (A); want alleen het bloed van Jezus Christus en de Heilige Geest reinigt ons van alle zonden (B).
    73. Vr. Waarom noemt dan de Heilige Geest den Doop het bad der wedergeboorte en de afwassing der zonden?
    Antw: God spreekt alzo niet zonder grote oorzaak; namelijk, niet alleen om ons daarmede te leren, dat, gelijk de onzuiverheid des lichaams met water, alzo ook onze zonden door het bloed en den Geest van Jezus Christus weggenomen worden (A), maar veelmeer, omdat Hij ons door dit Goddelijk pand en waarteken wil verzekeren, dat wij zo waarachtiglijk van onze zonden geestelijk gewassen zijn, als wij uitwendig met het water gewassen worden (B).
    74. Vr. Zal men ook de jonge kinderen dopen?
    Antw: Ja het; want mitsdien zij alzowel als de volwassenen in het verbond Gods en in zijn gemeente begrepen zijn (A), en dat hun door Christus' bloed de verlossing van de zonden (B) en de Heilige Geest, die het geloof werkt, niet minder dan den volwassenen toegezegd wordt (C), zo moeten zij ook door den Doop, als door het teken des Verbonds, der Christelijke Kerk ingelijfd en van de kinderen der ongelovigen onderscheiden worden (D), gelijk in het oude Verbond of Testament door de Besnijdenis geschied is (E), voor dewelke in het nieuwe Verbond de Doop ingezet is (F).

    Van het Heilig Avondmaal onzes Heeren

    Zondag 28

    75. Vr. Hoe wordt gij in het Heilig Avondmaal vermaand en verzekerd, dat gij aan de enige offerande van Christus, aan het kruis volbracht, en aan al zijn goed gemeenschap hebt?
    Antw: Alzo, dat Christus mij en allen gelovigen tot zijn gedachtenis van dit gebroken brood te eten en van dezen drinkbeker te drinken bevolen heeft, en daarbij ook beloofd heeft (A):
    eerstelijk, dat zijn lichaam zo zekerlijk voor mij aan het kruis geofferd en gebroken en zijn bloed voor mij vergoten is, als ik met de ogen zie, dat het brood des Heeren mij gebroken en de drinkbeker mij medegedeeld wordt;
    en ten andere, dat Hijzelf mijn ziel met zijn gekruisigd lichaam en vergoten bloed zo zekerlijk tot het eeuwige leven spijst en laaft, als ik het brood en den drinkbeker des Heeren (als zekere waartekenen deslichaams en bloeds van Christus) uit des dienaars hand ontvang en met den mond geniet.
    76. Vr. Wat is dat te zeggen, het gekruisigde lichaam van Christus eten en zijn vergoten bloed drinken?
    Antw: Het is niet alleen met een gelovig hart het ganse lijden en sterven van Christus aannemen en daardoor vergeving der zonden en het eeuwige leven verkrijgen (A), maar ook daarbenevens door den Heiligen Geest, die èn in Christus èn in ons woont, alzo met zijn heilig lichaam hoe langer hoe meer verenigd worden (B), dat wij, al is het, dat Christus in den hemel is (C) en wij op aarde zijn, nochtans vlees van zijn vlees en been van zijn gebeente zijn (D), en dat wij door één Geest (gelijk de leden van een lichaam door één ziel) eeuwiglijk leven en geregeerd worden (E).
    77. Vr. Waar heeft Christus beloofd, dat Hij de gelovigen zo zekerlijk alzo met zijn lichaam en bloed wil spijzen en laven, als zij van dit gebroken brood eten en van dezen drinkbeker drinken?
    Antw: In de inzetting des Avondmaals, welke alzo luidt (A):
    De Heere Jezus, in den nacht, in welken Hij verraden werd, nam het brood, en als Hij gedankt had, brak Hij het, en zeide: Neemt, eet; dat is mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doet dat tot mijn gedachtenis. Desgelijks nam Hij ook den drinkbeker, na het eten des Avondmaals, en zeide: Deze drinkbeker is het nieuwe Testament in mijn bloed; doet dat, zo dikwijls als gij dien zult drinken, tot mijn gedachtenis. Want zo dikwijls als gij dit brood zult eten, en dezen drinkbeker zult drinken, zo verkondigt den dood des Heeren, totdat Hij komt; 1 Kor. 11 : 23-26.
    Deze toezegging wordt ook herhaald door den Heiligen Paulus, waar hij spreekt: De drinkbeker der dankzegging, dien wij dankzeggende zegenen, is die niet een gemeenschap des bloeds van Christus? Het brood, dat wij breken, is dat niet des lichaams van Christus? Want één brood is het, zo zijn wij velen één lichaam, dewijl wij allen ééns broods deelachtig zijn, 1 Kor. 10: 16, 27.

    Zondag 29

    78. Vr. Wordt dan uit brood en wijn het wezenlijk lichaam en bloed van Christus?
    Antw: Neen (A); maar gelijk het water in den Doop niet in het bloed van Christus veranderd wordt, noch de afwassing der zonden zelf is (waarvan het alleen een Goddelijk waarteken en verzekering is) (B), alzo wordt ook het brood in het Avondmaal niet het lichaam van Christus zelf (C), hoewel het naar den aard en de eigenschap der Sacramenten (D) het lichaam van Christus Jezus genaamd wordt.
    79. Vr. Waarom noemt dan Christus het brood zijn lichaam en den drinkbeker zijn bloed, of het nieuwe Testament in zijn bloed, en Paulus de gemeenschap des lichaams en bloeds van Christus?
    Antw: Christus spreekt alzo niet zonder grote oorzaak; namelijk, niet alleen om ons daarmede te leren, dat, gelijk als brood en wijn dit tijdelijk leven onderhouden, alzo ook zijn gekruisigd lichaam en zijn vergoten bloed de waarachtige spijs en drank zijn, waardoor onze zielen ten eeuwigen leven gevoed worden (A);maar veelmeer om ons door deze zichtbare tekenen en panden te verzekeren, dat wij zo waarachtiglijk zijns waren lichaams en bloeds door de werking des Heiligen Geestes deelachtig worden, als wij deze heilige waartekenen met den lichamelijken mond tot zijn gedachtenis ontvangen (B), en dat al zijn lijden en gehoorzaamheid zo zekerlijk onze eigene is, als hadden wijzelf in onze eigen persoon alles geleden en Gode voor onze zonden genoeg gedaan.

    Zondag 30

    80. Vr. Wat onderscheid is er tussen het Avondmaal des Heeren en de Paapse Mis?
    Antw: Het Avondmaal des Heeren betuigt ons, dat wij volkomen vergeving van al onze zonden hebben door de énige offerande van Jezus Christus, die Hijzelf eenmaal aan het kruis volbracht heeft (A), en dat wij door den Heiligen Geest Christus worden ingelijfd (B), die nu naar zijn menselijke natuur niet op de aarde, maar in den hemel is, ter rechterhand Gods zijns Vaders (C), en daar van ons wil aangebeden zijn (D).Maar de Mis leert, dat de levenden en de doden niet door het lijden van Christus vergeving der zonden hebben, tenzij dat Christus nog dagelijks voor hen van de Mispriesters geofferd worde, en dat Christus lichamelijk onder de gestalte des broods en wijns is, en daarom ook daarin moet aangebeden worden; en alzo is de Mis in den grond ander niet, dan een verloochening der enige offerande en des lijdens van Jezus Christus, en een vervloekte afgoderij (E).
    81. Vr. Voor wie is het Avondmaal des Heeren ingesteld?
    Antw: Voor degenen, die zichzelf vanwege hun zonden mishagen, en nochtans vertrouwen, dat deze hun om Christus' wil vergeven zijn, en dat ook de overblijvende zwakheid met zijn lijden en sterven bedekt is; die ook begeren, hoe langer hoe meer hun geloof te sterken en hun leven te beteren. Maar de hypocrieten en die zich niet met waren harte tot God bekeren, die eten en drinken zichzelf een oordeel (A).
    82. Vr. Zal men ook diegenen tot dit Avondmaal laten komen, die zich met hun belijdenis en hun leven als ongelovige en goddeloze mensen aanstellen?
    Antw: Neen; want alzo wordt het verbond Gods ontheiligd, en zijn toorn over de ganse gemeente verwekt (A). Daarom is de Christelijke Kerk schuldig, naar de ordening van Christus en van zijn Apostelen, zulken, totdat zij betering huns levens bewijzen, door de Sleutelen des hemelrijks uit te sluiten.

    Van de sleutelen des Hemelrijks

    Zondag 31

    83. Vr. Wat zijn de Sleutelen des hemelrijks?
    Antw: De verkondiging des Heiligen Evangelies en de Christelijke ban of uitsluiting uit de Christelijke gemeente, door welke twee stukken het hemelrijk den gelovigen opengedaan, en den ongelovigen toegesloten wordt.
    84. Vr. Hoe wordt het hemelrijk door de prediking des Heiligen Evangelies ontsloten en toegesloten?
    Antw: Alzo, als, volgens het bevel van Christus, aan de gelovigen, allen en een iegelijk, verkondigd en openlijk betuigd wordt, dat hun, zo dikwijls als zij de beloftenis des Evangelies met een waar geloof aannemen, waarachtiglijk al hun zonden van God, om der verdiensten van Christus' wil, vergeven zijn; daarentegen allen ongelovigen, en die zich niet van harte bekeren, verkondigd en betuigd wordt, dat de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis op hen ligt, zolang als zij zich niet bekeren (A); naar welk getuigenis des Evangelies God zal oordelen, beide in dit en in het toekomende leven.
    85. Vr. Hoe wordt het hemelrijk toegesloten en ontsloten door den Christelijken ban?
    Antw: Alzo, als, volgens het bevel van Christus, degenen, die onder den Christelijken naam onchristelijke leer of leven voeren, nadat zij, ettelijke malen broederlijk vermaand zijnde, van hun dwalingen of hun schandelijk leven niet willen aflaten, der gemeente, of degenen die van de gemeente daartoe verordineerd zijn, aangebracht worden, en, zo zij aan de vermaning zich niet storen, van henlieden door het verbieden der Sacramenten uit de Christelijke gemeente, en van God zelf uit het Rijk van Christus gesloten worden; en wederom als lidmaten van Christus en van zijn gemeente aangenomen, zo wanneer zij waarachtige verbetering beloven en bewijzen (A).

    HET DERDE DEEL
    Van de dankbaarheid, die men Gode voor de verlossing schuldig is

    Zondag 32

    86. Vr. Aangezien wij uit onze ellendigheid, zonder enige verdienste onzerzijds, alleen uit genade, door Christus verlost zijn, waarom moeten wij dan nog goede werken doen?
    Antw: Daarom, dat Christus, nadat Hij ons met zijn bloed gekocht en vrijgemaakt heeft, ons ook door zijn Heiligen Geest tot zijn evenbeeld vernieuwt, opdat wij ons met ons ganse leven Gode dankbaar voor zijn weldaden bewijzen (A), en Hij door ons geprezen worde (B). Daarna ook, dat elk bij zichzelf van zijn geloof uit de vruchten verzekerd zij (C), en dat door onzen Godzaligen wandel onze naasten ook voor Christus gewonnen worden (D).
    87. Vr. Kunnen dan die niet zalig worden, die, in hun goddeloos ondankbaar leven voortvarende, zich tot God niet bekeren?
    Antw: In generlei wijze; want de Schrift zegt, dat geen onkuise, afgodendienaar, echtbreker, dief, geldgierige, dronkaard, lasteraar, noch rover, noch dergelijke, het rijk Gods beërven zal (A).

    Zondag 33

    88. Vr. In hoeveel stukken bestaat de waarachtige bekering des mensen?
    Antw: In twee stukken: in de afsterving des ouden, en in de opstanding des nieuwen mensen (A).
    89. Vr. Wat is de afsterving des ouden mensen?
    Antw: Het is een hartelijk leedwezen, dat wij God door onze zonden vertoornd hebben, en die hoe langer hoe meer haten en vlieden (A).
    90. Vr. Wat is de opstanding des nieuwen mensen?
    Antw: Het is een hartelijke vreugde in God door Christus (A), en lust en liefde om naar den wil Gods in alle goede werken te leven (B).
    91. Vr. Maar wat zijn goede werken?
    Antw: Alleen die uit waar geloof (A), naar de wet Gods (B), alleen Hem ter ere geschieden (C), en niet die op ons goeddunken of op (D).

    Van de Wet

    Zondag 34

    92. Vr. Hoe luidt de wet des Heeren?
    Antw: God sprak al deze woorden, Exod. 20: 1-17, Deut. 5: 6-21: Ik ben de HEERE, uw God, die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.
    Het eerste gebod.
    Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben.
    Het tweede gebod.
    Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen dat boven in den hemel is, noch van hetgeen dat onder op de aarde is, noch van hetgeen dat in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen: want Ik, de HEERE, uw God, ben een ijverig God, die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten; en doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden.
    Het derde gebod.
    Gij zult den naam des HEEREN, uws Gods, niet ijdellijk gebruiken; want de HEERE zal niet onschuldig houden, die zijn naam ijdellijk gebruikt.
    Het vierde gebod.
    Gedenkt den Sabbatdag, dat gij dien heiligt. Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de Sabbat des HEEREN, uws Gods. Dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poorten is. Want in zes dagen heeft de HEERE den hemel en de aarde gemaakt, de zee en alles wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage. Daarom zegende de HEERE den Sabbatdag, en heiligde denzelven.
    Het vijfde gebod.
    Eert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de HEERE, uw God, geeft.
    Het zesde gebod.
    Gij zult niet doodslaan.
    Het zevende gebod.
    Gij zult niet echtbreken.
    Het achtste gebod.
    Gij zult niet stelen.
    Het negende gebod.
    Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.
    Het tiende gebod.
    Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat uws naasten is.
    93. Vr. Hoe worden deze tien geboden gedeeld?
    Antw: In twee tafelen (A); waarvan de eerste leert, hoe wij ons jegens God zullen houden; de andere wat wij onzen naaste schuldig zijn (B).
    94. Vr. Wat gebiedt God in het eerste gebod?
    Antw: Dat ik, zo lief als mij mijner ziele zaligheid is, alle afgoderij (A), toverij, waarzegging, superstitie of bijgeloof (B), aanroeping van de heiligen of van andere schepselen (C), mijde en vliede, en den enigen waren God recht lere kennen (D), Hem alleen vertrouwe (E), in alle ootmoedigheid (F) en lijdzaamheid mij Hem alleen alles goeds (H) verwachte, Hem van ganser harte liefhebbe (I), vreze (K) en ere (L), alzo, dat ik eer van alle schepselen afga en die varen late, dan dat ik in het allerminste tegen zijn wil doe (M).
    95. Vr. Wat is afgoderij?
    Antw: Afgoderij is, in de plaats des enigen waren Gods, die zich in zijn Woord geopenbaard heeft, of benevens Hem, iets anders verzinnen of hebben, waarop de mens zijn vertrouwen zet (A).

    Zondag 35

    96. Vr. Wat eist God in het tweede gebod?
    Antw: Dat wij God in generlei wijze afbeelden (A), en op geen andere wijze vereren, dan Hij in zijn Woord bevolen heeft (B).
    97. Vr. Mag men dan ganselijk geen beelden maken?
    Antw: God kan noch mag in generlei wijze afgebeeld worden (A). Maar de schepselen, al is het dat zij mogen afgebeeld worden, zo verbiedt toch God, hun gebeeltenis te maken en te hebben, om die te vereren, of God daardoor te dienen (B).
    98. Vr. Maar zou men de beelden in de kerken als boeken der leken niet mogen dulden?
    Antw: Neen; want wij moeten niet wijzer zijn dan God, dewelke zijn Christenen niet door stomme beelden (A), maar door de levende verkondiging zijns Woords wil onderwezen hebben (B).

    Zondag 36

    99. Vr. Wat wil het derde gebod?
    Antw: Dat wij niet alleen met vloeken (A) of met valsen eed (B), maar ook met onnodig zweren (C), den naam Gods niet lasteren noch misbruiken, noch ons met ons stilzwijgen en toezien zulke verschrikkelijke zonden deelachtig maken (D); en in het kort, dat wij den heiligen naam Gods anders niet dan met vrees en eerbied gebruiken (E), opdat Hij van ons recht beleden (F), aangeroepen (G), en in al onze woorden en werken geprezen worde (H).
    100. Vr. Is het dan zo grote zonde, Gods naam met zweren en vloeken te lasteren, dat God zich ook over diegenen vertoornt, die, zoveel als hun mogelijk is, het vloeken en zweren niet helpen weren en verbieden?
    Antw: Ja gewisselijk (A); want er is geen groter zonde, noch die God meer vertoornt, dan de lastering zijn naams; waarom Hij die ook met den dood te straffen bevolen heeft (B).

    Zondag 37

    101. Vr. Maar mag men ook Godzaliglijk bij den naam Gods een eed zweren?
    Antw: Ja, als het de Overheid van haar overdanen, of anderszins ook de nood vordert, om trouw en waarheid daardoor te bevestigen, en dat tot Gods eer en des naasten heil; want zulk eedzweren is in Gods Woord gegrond (A), en daarom ook van de heiligen in het Oude en Nieuwe Testament recht gebruikt geweest (B).
    102. Vr. Mag men ook bij de heiligen, of bij enige andere schepselen, een eed zweren?
    Antw: Neen; want een rechten eed zweren is God aanroepen, dat Hij, als die alleen het hart kent, der waarheid getuigenis wil geven, en mij straffe, indien ik valselijk zweer (A); welke eer aan geen schepsel toebehoort (B).

    Zondag 38

    103. Vr. Wat gebiedt God in het vierde gebod?
    Antw: Eerstelijk, dat de kerkedienst, of het predikambt, en de scholen onderhouden worden (A), en dat ik, inzonderheid op den Sabbat, dat is, op den rustdag, tot de gemeente Gods naarstiglijk kome (B), om Gods Woord te horen (C), de Sacramenten te gebruiken (D), God den Heere openlijk aan te roepen (E), en den armen Christelijke handreiking te doen (F); ten andere, dat ik al de dagen mijns levens van mijn boze werken ruste, den Heere door zijn Geest in mij werken late, en alzo den eeuwigen Sabbat in dit leven aanvange (G).

    Zondag 39

    104. Vr. Wat wil God in het vijfde gebod?
    Antw: Dat ik mijn vader en mijn moeder, en allen die over mij gesteld zijn, alle eer, liefde en trouw bewijze, en mij hunner goede leer en straf met behoorlijke gehoorzaamheid onderwerpe (A), en ook met hun zwakheid en gebreken geduld hebbe (B), aangezien het Gode belieft, ons door hun hand te regeren (c).

    Zondag 40

    105. Vr. Wat eist God in het zesde gebod?
    Antw: Dat ik mijn naaste noch met gedachten, noch met woorden of enig gebaar, veel minder met de daad, door mijzelf of door anderen ontere, hate, kwetse of dode (A); maar dat ik alle wraakgierigheid aflegge (B); ook mijzelf niet kwetse of moedwilliglijk in enig gevaar begeve (C); waarom ook de Overheid het zwaard draagt om den doodslag te weren (D).
    106. Vr. Maar dit gebod schijnt alleen van het doodslaan te spreken?
    Antw: God, verbiedende den doodslag, leert ons, dat Hij den wortel des doodslags, als nijd (A), haat (B), toorn (C) en wraakgierigheid, haat en zulks alles voor een doodslag houdt (D).
    107. Vr. Maar is het genoeg, dat wij onzen naaste, zoals tevoren gezegd is, niet doden?
    Antw: Neen; want God, verbiedende den nijd, haat en toorn, gebiedt, dat wij onzen naaste liefhebben als onszelf (A), en jegens hem geduld, vrede, zachtmoedigheid, barmhartigheid en alle vriendelijkheid bewijzen (B), zijn schade, zoveel als ons mogelijk is, afkeren (C), en ook onzen vijanden goed doen (D).

    Zondag 41

    108. Vr. Wat leert ons het zevende gebod?
    Antw: Dat alle onkuisheid van God vervloekt is (A), en dat wij daarom, haar van hart vijand zijnde (B), kuis en ingetogen leven moeten (C), hetzij in den heiligen huwelijken staat of daarbuiten (D).
    109. Vr. Verbiedt God in dit gebod niet meer dan echtbreken en dergelijke schandelijkheden?
    Antw: Dewijl ons lichaam en ziel tempelen des Heiligen Geestes zijn, zo wil Hij, dat wij ze beide zuiver en heilig bewaren; daarom verbiedt Hij alle onkuise daden, gebaren, woorden (A), gedachten, lusten (B), en wat den mens daartoe trekken kan (C).

    Zondag 42

    110. Vr. Wat verbiedt God in het achtste gebod?
    Antw: God verbiedt niet alleen dat stelen (A) en roven (B), hetwelk de Overheid straft; maar Hij noemt ook dieverij alle boze stukken en aanslagen, waarmede wij onzes naasten goed denken aan ons te brengen (C), hetzij met geweld, of schijn des rechts, als met vals gewicht, el, maat, waar (D), munt, woeker (E), of door enig middel, van God verboden; daarenboven ook alle gierigheid (F), alle misbruik en verkwisting zijner gaven (G).
    111. Vr. Maar wat gebiedt u God in dit gebod?
    Antw: Dat ik mijns naasten nut, waar ik kan en mag, bevordere; met hem alzo handele, al ik wilde, dat men met mij handelde (A); daarenboven ook, dat ik trouwelijk arbeide, opdat ik den nooddruftige helpen moge (B).

    Zondag 43

    112. Vr. Wat wil het negende gebod?
    Antw: Dat ik tegen niemand valse getuigenis geve (A), niemand zijn woorden verdraaie (B), geen achterklapper of lasteraar zij (C), niemand lichtelijk en onverhoord oordele of helpe veroordelen (D); maar allerlei liegen en bedriegen, als eigen werken des duivels (E), vermijde, tenzij dat ik den zwaren toorn Gods op mij laden wil (F); insgelijks, dat ik in het gericht en alle andere handelingen de waarheid liefhebbe, oprechtelijk spreke en belijde (G); ook mijns naasten eer en goed gerucht naar mijn vermogen voorsta en bevordere (H).

    Zondag 44

    113. Vr. Wat eist van ons het tiende gebod?
    Antw: Dat ook de de minste lust of gedachte tegen enig gebod Gods in ons hart nimmermeer kome, maar dat wij ten allen tijde van ganser harte aller zonden vijand zijn en kust tot alle gerechtigheid hebben (A).
    114. Vr. Maar kunnen degenen, die tot God bekeerd zijn, deze geboden volkomenlijk houden?
    Antw: Neen zij; maar ook de allerheiligsten, zolang als zij in dit leven zijn, hebben maar een klein beginsel dezer gehoorzaamheid (A); doch alzo, dat zij met een ernstig voornemen niet alleen naar sommige, maar naar al de geboden Gods beginnen te leven (B).
    115. Vr. Waarom laat ons dan God alzo scherpelijk de tien geboden prediken, zo ze toch niemand in dit leven houden kan?
    Antw: Eerstelijk, opdat wij ons leven lang onzen zondigen aard hoe langer hoe meer leren kennen (A), en des te begeriger zijn, om de vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken (B). Daarna, opdat wij zonder ophouden ons benaarstigen, en God bidden om de genade des Heiligen Geestes, opdat wij hoe langer hoe meer naar het evenbeeld Gods vernieuwd worden, totdat wij tot deze voorgestelde volkomenheid na dit leven geraken (C).

    Van het gebed

    Zondag 45

    116. Vr. Waarom is het gebed den Christenen van node?
    Antw: Daarom dat het het voornaamste stuk der dankbaarheid is, welke God van ons vordert (A), en dat God zijn genade en den Heiligen Geest alleen aan diegenen geven wil, die Hem met hartelijke zuchten zonder ophouden daarom bidden en daarvoor danken (B).
    117. Vr. Wat behoort tot zulk een gebed, dat Gode aangenaam is en van Hem verhoord wordt?
    Antw: Eerstelijk, dat wij alleen den enigen waren God, die zich in zijn Woord ons geopenbaard heeft (A), om al hetgeen dat Hij ons geboden heeft te bidden (B), van harte aanroepen (C). Ten andere, dat wij onzen nood en ellendigheid recht en grondig kennen (D), opdat wij ons voor het aangezicht zijner majesteit verootmoedigen (E). Ten derde, dat wij dezen vasten grond heben (F), dat Hij ons gebed, niettegenstaande wij zulks onwaardig zijn, om des Heeren Christus' wil zekerlijk wil verhoren (G), gelijk Hij ons in zijn Woord beloofd heeft (H).
    118. Vr. Wat heeft ons God bevolen van Hem te bidden?
    Antw: Alle geestelijke en lichamelijke nooddrukt (A), welke de Heere Christus begrepen heeft in het gebed,dat Hij ons zelf geleerd heeft.
    119. Vr. Hoe luidt dat gebed?
    Antw: (A) Onze Vader, die in de hemelen zijt;
    Uw naam worde geheiligd.
    Uw koninkrijk kome.
    Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde.
    Geef ons heden ons dagelijks brood.
    En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.
    En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.
    Want uw is het koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.

    Zondag 46

    120. Vr. Waarom heeft ons Christus geboden, God alzo aan te spreken: Onze Vader?
    Antw: Opdat Hij van stonde aan, in het begin onzes gebeds, in ons de kinderlijke vrees en toevoorzicht tot God verwekke, welke beide de grond onzes gebeds zijn, namelijk, dat God onze Vader door Christus geworden is, en dat Hij ons veel minder afslaan zal hetgeen dat wij Hem met een recht geloof bidden, dan onze vaders ons aardse dingen ontzeggen (A).
    121. Vr. Waarom wordt hier bijgevoegd: Die in de hemelen zijt?
    Antw: Opdat wij van de hemelse majesteit Gods niet aardselijk denken (A), en van zijn almachtigheid alle nooddruft des lichaams en der ziel verwachten (B).

    Zondag 47

    122. Vr. Welke is de eerste bede?
    Antw: Uw naam worde geheiligd. Dat is: Geef ons eerstelijk, dat wij U recht kennen (A), en U in al uw werken, in welke uw almachtigheid, wijsheid, goedheid, gerechtigheid, barmhartigheid en waarheid klaarlijk schijnt, heiligen, roemen en prijzen (B); daarna ook dat wij al ons leven, gedachten, woorden en werken, alzo schikken en richten, dat uw naam om onzentwille niet gelasterd, maar geëerd en geprezen worde (C).

    Zondag 48

    123. Vr. Welke is de tweede bede?
    Antw: Uw koninkrijk kome. Dat is: Regeer ons alzo door uw Woord en uw Geest, dat wij ons hoe langer hoe meer aan U onderwerpen (A); bewaar en vermeerder uw kerk (B); verstoor de werken des duivels en alle geweld, dat zich tegen U verheft, mitsgaders alle boze raadslagen, die tegen uw Heilig Woord bedacht worden (C); totdat de volkomenheid uws Rijks kome (D), waarin Gij alles zult zijn in allen (E).

    Zondag 49

    124. Vr. Welke is de derde bede?
    Antw: Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde. Dat is: Geef, dat wij en alle mensen onzen eigen wil verzaken (A), en uw wil, die alleen goed is, zonder enig tegenspreken gehoorzaam zijn (B); opdat alzo een iegelijk zijn ambt en beroep zo gewilliglijk en getrouwelijk moge bedienen en uitvoeren (C), als de engelen in den hemel doen (D).

    Zondag 50

    125. Vr. Welke is de vierde bede?
    Antw: Geef ons heden ons dagelijks brood. Dat is: Wil ons met alle nooddruft des lichaams verzorgen (A), opdat wij daardoor erkennen, dat Gij de enige oorsprong alles goeds zijt (B), en dat noch onze zorg en arbeid, noch uw gaven, zonder uw zegen ons gedijen (C), en dat wij derhalve ons vertrouwen van alle schepselen aftrekken en op U alleen stellen (D).

    Zondag 51

    126. Vr. Welke is de vijfde bede?
    Antw: Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren. Dat is: Wil ons, armen zondaren, al onze misdaden, en ook de boosheid, die ons altijd aanhangt, om des bloeds van Christus' wil niet toerekenen (A), gelijk wij ook dit getuigenis uwer genade in ons bevinden, dat ons ganse voornemen is, onzen naaste van harte te vergeven (B).

    Zondag 52

    127. Vr. Welke is de zesde bede?
    Antw: Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Dat is: Dewijl wij van onszelf alzo zwak zijn, dat wij niet een ogenblik zouden kunnen bestaan (A), en daartoe onze doodsvijanden, de duivel (B), de wereld (C), en ons eigen vlees (D), niet ophouden ons aan te vechten, zo wil ons toch staande houden en sterken door de kracht uws Heiligen Geestes, opdat wij in dezen geestelijken strijd niet onderliggen (E), maar altijd sterken wederstand doen, totdat wij eindelijk ten enenmale de overhand behouden (F).
    128. Vr. Hoe besluit gij uw gebed?
    Antw: Want uw is het koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Dat is: Zulks alles bidden wij van U, daarom, dat Gij, als onze Koning en aller dingen machtig, ons alles goeds te geven den wil en het vermogen hebt (A), en dat alles, opdat daardoor, niet wij, maar uw heilige naam eeuwiglijk geprezen worde (B).
    129. Vr. Wat beduidt het woordeken: Amen?
    Antw: Amen wil zeggen: Het zal waar en zeker zijn. Want mijn gebed is veel zekerder van God gehoord, dan ik in mijn hart gevoel, dat ik zulks van Hem begeer (A).

Inloggen

Registreren