• 29

Meditaties

  • Een persoonlijke benadering...

    “Zie, Ik heb een geopende deur voor u gegeven, en niemand kan die sluiten;
    Want gij hebt kleine kracht, en gij hebt Mijn Woord bewaard, en hebt Mijn Naam niet verloochend.”
    Openbaring 3:8.

     

    Bij de voorbereiding op het Heilig Avondmaal hebben wij ons gebogen over één van de zeven brieven die de Heere Jezus heeft gezonden aan de gemeenten in Klein-Azië – het huidige Turkije. Het was de zevende brief, gericht aan de gemeente van Laodicéa. Dat was eigenlijk wel een aangrijpend woord. Want de gemeente van Laodicéa dacht in nauwe verbinding met de Heere Jezus te staan, maar de Heere Jezus moest zeggen: Ik sta buiten… Maar… gelukkig, Hij klopt. De Heere Jezus wil ons niet verlaten, maar Hij klopt nog op de deur van ons hart. Ook via deze wijkbrief. Hij wil dat u de deur van uw hart opendoet. Hij zegt:
    “Zie, Ik sta aan de deur
    En ik klop;
    Indien iemand Mijn stem zal horen
    En de deur opendoen,
    Ik zal tot hem inkomen,
    En Ik zal met hem avondmaal houden,
    En hij met Mij.” Openb.3:20.

    Maar, het is heel opvallend dat elk van deze zeven gemeenten door de Heere Jezus persoonlijk wordt aangesproken. Vandaar dat er ook zeven afzonderlijke brieven zijn. De Heere Jezus laat ons geen – om zo te zeggen – “standaardbrief” bezorgen. De brief is niet “automatisch opgemaakt, en daarom niet ondertekend”, zoals we dat wel eens onder een document van de overheid kunnen lezen. Neen. De Heere Jezus weet precies, wat elk mens afzonderlijk nodig heeft. Hoewel de Bijbel voor ieder mens geschreven is, jong en oud, geleerd of eenvoudig, wil de Heere het door de Heilige Geest persoonlijk bij ons “thuisbrengen”. Toepassen. Lees daarom biddend uw Bijbel. Vraag om de verlichting met Zijn Heilige Geest.

    De zesde brief, die de Heere Jezus schrijft, is gericht aan de gemeente van Philadelphia. De Heere Jezus zegt:
    “Ik weet uw werken;
    Zie, Ik heb een geopende deur voor u gegeven,
    En niemand kan die sluiten;
    Want gij hebt kleine kracht,
    En gij hebt Mijn Woord bewaard,
    En hebt Mijn Naam niet verloochend.”

    “Ik weet uw werken”: dat is hier vertroostend bedoeld. Soms kan dit woord ook bedreigend overkomen. Dat zien we bijvoorbeeld in Openbaring 3:1. Tot de gemeente van Sardis klinkt het dreigend:
    “Ik weet uw werken,
    dat gij de naam hebt dat gij leeft,
    en gij zijt dood.”
    Want de Heere Jezus weet immers alles van ons af! Vandaar dat wij wel mogen bidden met de dichter van Psalm 139: (14b berijmd.)
    “Beproef m' en zie of mijn gemoed
    iets kwaads iets onbehoorlijks voedt.”
    Hier echter in de brief gericht aan de gemeente van Philadelphia heeft dit woord iets vertroostends. Dat blijkt ook:
    “Gij hebt Mijn Woord bewaard,
    En hebt Mijn Naam niet verloochend.”
    Dat wordt blijkbaar door de Heere Jezus gezien! In onze tijd, is dat meer dan ooit nodig. Vertrouw op de Heere, zoals Hij tot ons komt vanuit Zijn onfeilbare Woord. En bid het: geef, Heere, dat ik Uw Naam niet verloochen.

    Over dat onfeilbare Woord mogen wij ons ook weer buigen op 20 september in de wijkzaal van de Pauluskerk. U bent er dan toch ook weer? Belijd het maar mee:
    “Mijn ziel bewaart Uw trouw getuigenis;
    Dat heb ik lief, ook doe ik Uw bevelen;
    Uw woord kan mij, ofschoon ik alles mis,
    Door zijnen smaak, én hart én zinnen strelen.”*

    Lezen: Openbaring 3:7-13.
    *Zingen: Psalm 119:84.


    Namens de Protestantse Contact Dienst
    en de wijkkerkenraden
    van de Augustijnenkerk en Pauluskerk,
    van harte Gods zegen toegewenst.
    Ds. G. van Wijk, september 2017.

     

    Read more

  • Stil tot God

    “Immers, is mijn ziel stil tot God, van Hem is mijn heil.”“Immers, is mijn ziel stil tot God, van Hem is mijn heil.”Psalm 62: 2.

    David heeft deze Psalm gedicht, toen het waaide in zijn leven. Het waaide niet zomaar, want daar kun je ook wel van genieten. Maar David kreeg te maken met windvlagen van tegenslag en teleurstelling, laster en roddel, van angst en aanvechting, moeite en strijd. Maar midden in die woelingen en windvlagen, belijdt David dat zijn ziel stil is tot God.

    Hoe ben je stil voor God, terwijl het woelt en waait in je leven? Als je zo vaak alleen bent? Als steeds meer mensen om je heen wegvallen? Als het gemis om je dierbare steeds meer wordt gevoeld? Als je kinderen het met kerk en geloof voor gezien houden? Hoe deed David dat? En al die andere mensen uit de Bijbel? Mozes, Elia, Jesaja? De Heere Jezus? Hij kreeg als geen ander te maken met tegenwind en tegenslag. Hij werd geboren, maar was niet welkom. Hij was nog heel klein, maar moest toen al vluchten naar Egypte. Hij deed in Zijn leven alleen maar goed, maar het werd vergolden met kwaad. Zijn levensverhaal was uiteindelijk één verhaal van: teleurstelling en tegenslag, miskenning en verachting. Wat heeft Hij veel geleden en gestreden. Wat was Hij vaak angstig en werd Hij vaak aangevochten. Toen Hij onschuldig aan het kruis hing, riep Hij als een kind: “Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?”. Hij weet als geen ander, wat Gods kinderen leven en lijden. Als er Eén van het leven van Zijn kinderen afweet, is het God Zelf. Weet u hoe Hij dat heeft laten merken? Doordat Hij niet in dit Boek is gebleven, maar Zichzelf heeft gegeven, in Zijn Zoon Jezus Christus. God Zelf is in Zijn Zoon in ons menselijk bestaan gekropen. Hij heeft onze zonde en schuld, onze nood en dood, onze angsten en aanvechtingen, ons kermen en klagen tot Zijn offer gemaakt. Hij heeft dat meegenomen naar Zijn graf om het daar voorgoed achter te laten, is na drie dagen weer uit dat graf opgestaan in een nieuw leven, inclusief al Zijn kinderen en is naar de hemel gegaan, waar Hij voor al Zijn kinderen bidt. Dat maakt stil!

    Psalm 62 is een Psalm van David. Ten diepste van Christus. Maar ook van allen die zich in David herkennen. Waarom kan David midden in woelingen en windvlagen toch stil zijn? Omdat er midden in de wereldgeschiedenis Eén stil was voor God en boog onder God. De meerdere David, Jezus Christus. Hij is de brug waarover God het heil naar ons toebrengt, het neerlegt in onze ziel, en zodoende grond onder onze voeten schuift, zodat we niet wankelen, een veilige vesting is om te schuilen, en we geborgen zijn in de Rots der eeuwen. Zalig wie zich hieraan toevertrouwt!  

    Heb je daarna geen hinder meer van windvlagen en woelingen? Vaar je dan altijd voor de wind? We weten wel beter. Het kan zover gaan dat je niets meer weet. Maar ik ben bij God bekend en gekend en geborgen en getroost! Nu en eeuwig! 

    Lezen: Psalm 62.
    Zingen: Psalm 62: 1 en 5.
    Namens de protestantse contact dienst en de wijkkerkenraden van de Augustijnenkerk en Pauluskerk, van harte Gods zegen toegewenst.

    ds. M. Maas, juli en augustus 2017.

    Read more

  • De wonderlijke tempelrivier...

    “Voorts mat hij nog duizend, en het was een beek, waar ik niet kon doorgaan; “Voorts mat hij nog duizend, en het was een beek, waar ik niet kon doorgaan; want de wateren waren hoge wateren, waar men door zwemmen moest, een beek, waar men niet kon doorgaan.”Ezechiël 47:5.

    Het was goed om velen van u te ontmoeten op woensdag 3 mei, jongstleden in de wijkzaal van de Pauluskerk. We hebben geluisterd naar een mooie meditatie van ds. M. Maas. En het was fijn, dat ook zijn echtgenote in ons midden was. Inmiddels ligt het heilsfeit van Hemelvaart achter ons en hebben we ook de komst van Gods genadige pinksterzegen mogen gedenken.Het was goed om velen van u te ontmoeten op woensdag 3 mei, jongstleden in de wijkzaal van de Pauluskerk. We hebben geluisterd naar een mooie meditatie van ds. M. Maas. En het was fijn, dat ook zijn echtgenote in ons midden was. Inmiddels ligt het heilsfeit van Hemelvaart achter ons en hebben we ook de komst van Gods genadige pinksterzegen mogen gedenken.

    Die pinksterzegen stond in het Oude Testament al voorzegd. De profeet Ezechiël bijvoorbeeld, zag in een visioen, hoe daar het water – dat is het symbool van het levendmakende werk van Gods Heilige Geest – vanuit de tempel stroomde. Ezechiël stond verbaasd. Het stroompje dat hij zag en dat hij volgde, werd almaar breder en dieper. Ja, Ezechiël moest dat niet enkel met zijn ogen zien. Hij moest dat ook ervaren, want de engel gaf hem de opdracht om in die stroom te gaan staan.

    Uiteindelijk wordt de stroom zo breed en zo diep, dat Ezechiël niet langer meer de bodem voelt, maar zwemmen moet.

    Met de komst van de Heere Jezus, met het kruiswerk dat Hij volbracht, heeft Hij de Heilige Geest verdiend. Om uit te delen. En op de pinksterdag is het dan zover. De Heere kiest het oude bekende oogstfeest uit om Zijn Geest uit te gieten in Jeruzalem. De grote oogst gaat beginnen: drieduizend mensen komen tot bekering.Met de komst van de Heere Jezus, met het kruiswerk dat Hij volbracht, heeft Hij de Heilige Geest verdiend. Om uit te delen. En op de pinksterdag is het dan zover. De Heere kiest het oude bekende oogstfeest uit om Zijn Geest uit te gieten in Jeruzalem. De grote oogst gaat beginnen: drieduizend mensen komen tot bekering.

    En… dat is nog maar het begin. De apostel Paulus zegt in de Romeinenbrief “wij die de eerstelingen des Geestes hebben”. Dat wil zeggen, dat het bij de eerstelingen niet blijft, maar dat de Geest steeds meer zal doorbreken in deze wereld. Immers, wij mogen het meemaken dat overal in deze wereld het Evangelie van de Gekruisigde wordt verkondigd. Gods belofte wordt vervuld. Wat een genade, dat de Heere Jezus niet alleen de prijs betaalt, door te lijden en te sterven aan het kruis van Golgotha, maar ook het geloof schenkt. Door het wederbarende werk van de Heilige Geest, worden mensen tot het geloof gebracht, tot bekering geleid en belijden ze hun schuld: “wat zullen we doen, mannenbroeders…?” Wat een genade, dat de Heere Jezus door het zenden van Zijn Heilige Geest, ons mede te hulp komt. Immers, wij weten niet wat wij bidden zullen, gelijk het betaamt, maar de Geest bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen.

    Dan mag u de Heere aan uw kant weten. Wanneer ontdek je dat? Op het moment dat je je handen vouwt en je knieën buigt. Op het moment dat je in gebed tot de Heere vlucht. Dan mag je ervaren: het zijn niet mijn woorden, maar Zijn woorden. Net als Ezechiël. Hij ervoer de reikwijdte en de diepte van de stroom, niet alleen door er naar te kijken, maar door er in overeenstemming met het bevel van de engel in te gaan staan.

    Blijf daarom niet op afstand staan. Hoor het Woord van God. Overdenk het. Maak het u eigen. En kom dan vervolgens met dat gehoorde Woord voor Zijn aangezicht. “Heere, hier staat het, doet u in mijn leven wat u beloofd hebt”. De stroom ontspringt aan het Vaderhart. Het komt vanuit de tempel, het Heilige der Heiligen. Gebrek en droogte, geestelijke leegte wordt door de Heere weggenomen in Zijn Zoon Jezus Christus, Die in het zenden van Zijn Geest alles heeft meegebracht. Soli Deo Gloria. God alleen de eer.


    Lezen: Ezechiël 47 : 1-12. 

    Zingen: Psalm 36: 2, 3. 

    Namens de Protestantse Contact Diensten de wijkkerkenradenvan de Augustijnenkerk en Pauluskerk,van harte Gods zegen toegewenst.

    Ds. G. van Wijk, juni 2017.

    Read more

  • God, de HEERE als zon!

    “Want God, de HEERE, is een zon...”

    Psalm 84: 12a.

    De dichter van Psalm 84 heeft het ook over de zon. Dat is apart! Is God voor hem een zon, zoals wij de zon als warmtebron ervaren en intens van kunnen genieten? Nee, want oosterlingen ervaren de zon anders dan westerlingen. Voor de dichter is de zon allereerst een hemellichaam. Door de Schepper gemaakt op de vierde scheppingsdag, aan de hemel gehangen en door Gods licht ons licht geeft. Hij weet dat vele oosterlingen de zon als god aanbidden, maar hij buigt zich neer voor God, Die de zon heeft gemaakt. Hij weet dat God de zon laat opgaan over bozen en goeden. Hij weet dat God elke morgen het licht aandoet en elke avond weer uitdoet. Is dat voor u een wonder? Blijft het ook bijzonder? Hebt u ontdekt, dat God via de zon, Zijn licht over uw leven laat vallen? Heeft u al gezien dat de schittering van de zon verwijst naar de grootheid van uw Schepper? Heeft u er al eens bij stil gestaan, dat u elke dag iets ziet van Gods heerlijkheid? Nee, we kunnen het volle licht van God niet verdragen, want wie zal God zien en leven!. Maar het blijft een wonder wanneer God elke dag opnieuw het licht aanknipt en via de zon Zijn licht laat vallen over ons leven, zodat we niet, hoewel verdiend, in duisternis hoeven te leven.

    De pelgrim weet ook, dat zonlicht onmisbaar is voor de groei van gewassen, maar dat zonlicht ook levensbedreigend kan zijn. Het zonlicht kan zeker in het zomerse middaguur gewassen en grassen laten verschroeien en mensen treffen met een zonnesteek. De pelgrim ervaart op z’n tocht naar Sion, dat de zon veel hitte geeft, hoe belangrijk schaduw is en hoe noodzakelijk water.
    Geestelijk gesproken kent hij God ook op die manier: wie zal bestaan in de hitte van Gods heiligheid, wie redt het dan zonder schaduw, wie blijft in leven zonder water? Niemand! Dat heeft hij geleerd in het voorhof, bij het grote brandofferaltaar, waar menig dier werd verbrand en het bloed werd opgevangen dat heen wees naar het Lam, dat eenmaal zichzelf zou offeren voor zijn zonden.

    Dat is eeuwen later ook gebeurd. De hitte van Gods gramschap over onze zonde en schuld trof het Lam van God. Hij heeft Zichzelf geofferd tot een verzoening over al onze zonden. Zo is God een Zon voor een ieder die zichzelf heeft leren kennen als een zondaar en bij het altaar van de verzoening heeft gezien wat er met z’n zonden is gebeurd: verzoend en vergeven. Daarom bent u toch zo blij met de bediening van de verzoening? Dat hebben we toch eens en steeds nodig? Maar er komt een dag dat het niet meer nodig is. Dat is de dag die wel zal beginnen, maar nimmer zal eindigen. Dan zal God alle gezaligden omringen met Zijn heerlijkheid. Dan is werkelijkheid wat Johannes schrijft:
    “Ik zag een tempel in haar, want de Heere, de almachtige God, is haar tempel, en het Lam. En de stad heeft de zon en de maan niet nodig om haar te beschijnen, want de heerlijkheid van God verlicht haar, en het Lam is haar lamp.” (HSV Openbaring 21: 22, 23.)
    Zult u er bij zijn? Het kan door het Licht dat de duisternis overwon. Amen

    Read more

  • Met vele gewisse kentekenen

    “Aan welke Hij ook, nadat Hij geleden had, Zichzelven levend vertoond heeft, met vele gewisse kentekenen,
    veertig dagen lang, zijnde van hen gezien,
    en sprekende van de dingen, die het Koninkrijk Gods aangaan.”
    Handelingen 1:3.

     

    Op Deo Volente woensdag 3 mei, hoop ik u samen met ds. M. Maas, opnieuw te mogen ontmoeten in de wijkzaal van de Pauluskerk. U bent daarvoor van harte uitgenodigd. We leven dan tussen Pasen en Pinksteren. Nadat de Heere Jezus gestorven en opgewekt, is Hij nog veertig dagen bij Zijn discipelen gebleven. Lukas, de evangelieschrijver en tegelijkertijd ook de schrijver van het bijbelboek Handelingen, schrijft dat de Heere Jezus Zich aan velen heeft vertoond.

    “met vele gewisse kentekenen,
    veertig dagen lang,
    zijnde van hen gezien,
    en sprekende van de dingen,
    die het Koninkrijk Gods aangaan.”

    Nee, de kerk gelooft niet enkel op grond van wat ze heeft gezien, maar vooral op grond van wat ze heeft gehoord. Toch wil de Heere ons in Zijn liefde tegemoet komen en gaat het in het Evangelie om de dingen die onder ons volkomen zekerheid hebben. De apostel Johannes mag niet alleen oorgetuige zijn, maar mag zich ook ooggetuige weten. Hij schrijft namelijk in zijn Evangelie:

    “En die het gezien heeft,
    die heeft het getuigd,
    en zijn getuigenis is waarachtig;
    en hij weet, dat hij zegt, hetgeen waar is,
    opdat ook gij geloven moogt.”

    Veertig dagen bleef Jezus dus nog bij zijn discipelen. Veertig is in de bijbel altijd een bijzondere getal. Meestentijds symboliseert het een grote verandering, soms in de vorm van toerusting. Noach, met zijn gezin, bijvoorbeeld zat veertig dagen in de ark. Mozes moest veertig dagen op de berg doorbrengen alvorens hij de wet van God aan het volk kon overbrengen. De verspieders brachten veertig dagen door in het beloofde land. Goliath heeft het volk veertig dagen lang uitgedaagd, waardoor er bij David een grote verandering plaatsvond in zijn binnenste. Ook de stad Ninevé kreeg met een grote verandering te maken, ja zelfs met bekering, toen zij van God veertig dagen de tijd kreeg om zich tot God te wenden. Ook de Heere Jezus verbleef veertig dagen in de woestijn om Zich voor te bereiden op Zijn verlossingswerk. En hier lezen wij, dat de Heere Jezus veertig dagen de tijd neemt om Zijn kerk toe te rusten.

    Wat een trouwe zorg van de Zaligmaker. Immers, was het niet voldoende geweest, dat Hij uit de doden was opgestaan? De Heere had aan Zijn discipelen – zelfs aan de ongelovige Thomas – toch Zijn “gewisse kentekenen” laten zien? De Heere had tegen Thomas gezegd:

    “zie Mijn handen, en breng uw hand,
    en steek ze in Mijn zijde;
    en zijt niet ongelovig, maar gelovig.”

    Hij kwam door een gesloten deur. Hij openbaarde Zich bij de wonderbare visvangst. Hij is verschenen aan meer dan 500 broederen op eenmaal… “Vele gewisse kentekenen”. Iemand zegt: als ik nu een teken ontving, dan zou ik wel geloven. Geeft de Heere ook aan ons, vandaag, niet vele “gewisse kentekenen”. Het Evangelie is gepredikt in deze gehele wereld, zoals Jezus voorzegd had. De Heilige Geest is uitgestort, zoals Jezus beloofd had. Zijn gemeente wordt staande gehouden in de meest moeitevolle omstandigheden, omdat Hij gezegd heeft “ziet, Ik ben met ulieden al de dagen, tot aan de voleinding der wereld”. En ja, de oude Simeon in de tempel had gelijk:
    “Zie, Deze wordt gezet tot een val en opstanding veler in Israël, en tot een teken, dat wedersproken zal worden.”

    Lezen: Handelingen 1:1-14
    Zingen: Psalm 86:6,9
    Namens de Protestantse Contact Dienst en de wijkkerkenraden van de Augustijnenkerk en Pauluskerk, van harte Gods zegen toegewenst.
    Ds. G. van Wijk, april 2017.

    Read more

  • Eén van u – Ik ben het toch niet?

    Eén van u – Ik ben het toch niet?

    “En als zij aanzaten en aten, zei Jezus: Voorwaar, Ik zeg u, dat één van u, die met Mij eet, Mij zal verraden. En zij begonnen bedroefd te worden, en de een na de ander tot Hem te zeggen: Ben ik het? En een ander: Ben ik het?” Markus 14: 18,19.

     

    De voorbereidingen voor de Paschamaaltijd zijn getroffen. Het zal vast een mooie avond worden. Maar dit jaar verloopt de avond anders. Als Jezus met de twaalf aan het eten is, klinkt als een donderslag bij heldere hemel: Voorwaar, Ik zeg u, dat een van u, die met Mij eet, Mij zal verraden. Wie rekent daar nu op? De sfeer is weg en de spanning is om te snijden.

    Nee, Jezus zegt niet: “Judas zal Mij verraden.”, maar: “Eén van jullie!” De discipelen worden bedroefd. Ze kijken niet naar Judas, ook niet naar elkaar, maar naar zichzelf. Allen zeggen heel persoonlijk tegen Jezus: “Ik ben het toch niet?” Heere, laat dat toch niet waar zijn. Bewaar me daar alstublieft voor. Want ik weet dat ik er niet te goed voor ben. Tenzij U me ervoor bewaart.

    Begrijpen we waarom de discipelen het niet aan elkaar vragen wie Jezus zal gaan verraden? Ze weten allemaal dat ze er niet te goed voor zijn. Daarom vragen ze het aan Jezus! Hij is de enige die het weet en de Enige die uitsluitsel kan geven. Hij is de Rots in de branding van angst en aanvechting.

    Denkt u al lezend: Hoe heb ik het met de discipelen? Ze zijn Jezus toch gevolgd? Dan kunnen ze Hem toch niet meer overleveren? Volgelingen blijven toch volgelingen? Vrienden worden toch geen verraders? Ach, ken liever uzelf. Als we in het lijdensevangelie terechtkomen, komen we erachter wie we zijn en hoe we in elkaar steken en er niet tegoed voor zijn om de Zoon des mensen te verraden. Is dat voor u herkenbaar? Al behoren we net als de discipelen tot de binnenste kring, is dat geen garantie dat we Hem niet meer kunnen verraden. Je kunt bij de kern van de gemeente horen. Dagelijks uit de Bijbel lezen. Wekelijks de prediking beluisteren. Maar denk nooit: “wie doet me wat!” Het heil is zeker, maar nooit vanzelfsprekend!

    We kunnen met onze vertwijfelde vraag twee dingen doen: bij onszelf blijven of naar Jezus gaan. Wat doet u? De discipelen stelden hun vraag aan Jezus en kwamen met hun angsten en aanvechtingen bij Hem. Alleen dan zijn we op het juiste adres. Heere, U weet alle dingen! U weet wat het Woord in m’n leven heeft uitgewerkt. U weet wat er in m’n hart leeft. U weet dat ik U liefheb. U laat me niet met twijfel en spanning achter. Want wie tot U komt, wordt door U niet hard afgewezen, maar vriendelijk ontvangen.

    Waarom zouden we met onze vraag tot de Heere Jezus gaan? Om van Hem te leren, dat zalig worden geen vanzelfsprekende zaak is, maar alleen genade. Zie Hem er eens op aan! Die om onze ziel te troosten, de schuld en zonde heeft weggedaan. Lof zij Christus. Nu en eeuwig.

    Namens de Protestantse Contact Dienst en de wijkkerkenraden van de Augustijnenkerk en Pauluskerk,
    ds. M. Maas, maart 2017.

    Read more

  • Dienen met barmhartigheid

    “Zalig zijn de barmhartigen; want hun zal barmhartigheid geschieden.”
    Matthéüs 5:7

    Rondom het Heilig Avondmaal is ons “het ware geluk aangewezen”. Bij Wie vinden we dat echte geluk? We vinden dat echte geluk bij de Heere Jezus, waar wij zitten aan Zijn voeten, om naar Zijn stem te luisteren. Hij wijst ons de weg. In de Bergrede heeft de Heere Jezus voor ons een belangrijke Boodschap. Een Boodschap die vaak tegendraads is. Zijn Boodschap gaat vaak in tegen ons gevoel. Toch is Zijn Boodschap de Waarheid. En nu, deze Waarheid van Jezus maakt ons gelukkig. Althans, als wij die Waarheid volgen, ja, als wij Hem volgen.

    Wat zegt de Heere Jezus dan in de Bergrede? Ik vat het maar samen, met de woorden die hebben geklonken, rondom het Heilig Avondmaal. Zalig ben je, waar je komt in afhankelijkheid, waar je treurt over zondigheid, waar je zucht naar gerechtigheid, waar je leeft in zachtmoedigheid. Deze boodschap klinkt tegendraads. Want, zit er nu zoveel geluk in het afhankelijk zijn van een ander? En zijn treurende mensen nu gelukkig? Of, kom je met zachtmoedigheid in deze wereld nu zoveel verder? De Heere Jezus zegt: ja, zij zullen immers het aardrijk beërven.

    In deze wijkbrief wil ik met u een stapje verder gaan. Want ook het “dienen met barmhartigheid” kenmerkt de kinderen van God. Jezus zegt: “zalig zijn de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden”. Ja, die barmhartigheid kenmerkt Hem, Die ons deze boodschap voorhoudt.

    Bij God vinden wij de ware barmhartigheid, vinden wij de ware ontferming. Hij is “warm van hart” – barmhartig. Hij heeft een hart dat van liefde brandt. Dat geldt God de Vader. Vanwege Zijn barmhartigheid heeft Hij Zijn Zoon, de Heere Jezus Christus afgestaan aan deze wereld, overgegeven en prijsgegeven aan de dood. Uit liefde voor gevallen zondaren. Vandaar dat de oude Zacharias zingt in zijn lofzang:
    “Nu toont Hij Zijn barmhartigheid,vanouds de vaderen toegezeid”.

    Maar op het aller-duidelijkst, vinden wij die barmhartigheid, bij God de Zoon. Toen Hij gehangen was aan het kruis van Golgotha, heeft Hij voor het volk gebeden: “Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat ze doen”. Toen de Heere Jezus, aan Paulus verscheen op weg naar Damascus, had Hij Paulus kunnen doden, maar in plaats daarvan heeft Hij Paulus in dienst genomen. Zodat deze apostel later zegt:
    “mij is barmhartigheid geschied…”.

    Vanwege deze barmhartigheid van Christus, zullen ook Gods kinderen barmhartig zijn naar anderen toe. Zij zullen immers gaan lijken op hun Meester? Jezus zegt: “hun zal barmhartigheid geschieden…”. In Christus en door Christus zult u een barmhartig God ontmoeten. Hij zal Zich over u een eeuwigheid lang ontfermen. Wat een heerlijk vooruitzicht.

    Nee, uit onszelf zijn we niet barmhartig. Uit onszelf ontfermen wij ons niet over een ander. Maar: “wie Hem nederig valt te voet, zal van Hem Zijn wegen leren”. Wat een machtige belofte, heeft de Heere Jezus, in al die zaligsprekingen aan Zijn kerk nagelaten. En wat een heerlijk voorbeeld, heeft de Heere Jezus, ons vanuit Zijn leven gegeven. Ja, nog meer: wat een heerlijke vervulling, hebben wij, vanuit Zijn leven ontvangen. Want in al die zaligsprekingen is Hij ons voorgegaan. Waar het ons aan barmhartigheid ontbreekt, kunnen wij het van Hem leren. Ja, ontvangen. Gratis en voor niets. Dat is Evangelie.

    Lezen: Matthéüs 5:1-12.
    Zingen: Psalm 86:3,8.

    Namens de Protestantse Contact Dienst

    en de wijkkerkenraden van de Augustijnenkerk en Pauluskerk,
    van harte Gods zegen toegewenst.
    Ds. G. van Wijk, februari 2017

    Read more

  • Zacharia's lofzang

    “Om Zijn volk kennis der zaligheid te geven, in vergeving hunner zonden. Door de innerlijke bewegingen
    der barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft, de Opgang uit de hoogte. Om te verschijnen dengenen, die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods; om onze voeten te richten op den weg des vredes.”
    Lukas 1:77-79

    Hebt u het wel eens meegemaakt, dat u geen woord meer uit kon brengen? Soms wordt mij verteld: we moesten bij de dokter komen. Kort en bondig werd ons de stand van zaken meegedeeld: “Meneer, mevrouw, helaas, we kunnen niets meer voor u doen…”. Ik herinner me die alleenstaande man. Na een dergelijk bericht vertelde hij met tranen in zijn ogen: “nou, dan heb je geen praatjes meer, hoor, dominee”. Verstomd ben je dan, sprakeloos, lamgeslagen.

    Sprakeloosheid kan ons ook overvallen waar we met een ongedacht grote zegen te maken krijgen, of met iets dat onze stoutste verwachtingen overtreft. De koningin van Scheba zag de rijkdom van Salomo en hoorde zijn wijsheid. Sprakeloos was zij. “Er was geen geest meer in haar”, zo staat er in onze Bijbel.

    Zacharias is oud geworden. Jarenlang heeft hij samen met zijn vrouw Elizabet op de kinderzegen gewacht. Maar alle hoop en verwachting is vervlogen. Ze bidden er samen ook niet meer om. Immers, in het bidden moet een mens wel reëel blijven, toch…?

    Geliefde lezer en lezeres: daar denkt de Heere nu heel anders over. Want nu gaat de Heere, dwars door alle onmogelijkheden heen, de wegbereider van de Heere Jezus geven: Johannes de Doper. Dit oude priestergezin mag de bedding worden voor de kleine Johannes. Straks mag die oude grijsaard, samen met de kleine Johannes, de Schriften en de boekrollen van de profeten spellen. Om hem bekwaam te maken voor zijn toekomstige taak.

    Maar zover is Zacharias helemaal niet. De engel Gabriël verschijnt aan hem. Maar in plaats dat Zacharias met stomheid is geslagen over deze wonderlijke boodschap, komt hij met een tegenwerping: “Ja, maar…”. Zacharias praat voor zijn beurt. Dat doen wij mensen vaker. Wij laten de boodschap van God zo slecht doordringen in ons hart. Wij laten de engel niet uitspreken. We weten het al. Maar de engel brengt Zacharias tot zwijgen. Het wordt een zwijgen van negen maanden.

    Maar dan wordt de kleine Johannes geboren. En dan gaat Zacharias spreken. Spreken als nooit tevoren. Ja, hij gaat zelfs een profetie uitspreken. Hij gaat een lofzang uitzingen. Het is door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods, dat Hij naar ons heeft omgezien. Dat Hij Zijn genade bewijst. Onbegrijpelijk.

    Zacharias zingt: God wil ons, die gevangen zitten in de schaduw van de dood, eeuwige vrijspraak geven. De Heere wil ons, wiens voeten snel zijn om bloed te vergieten, eeuwige vrede schenken. God heeft medelijden met ons, Hij heeft Zich over ons heen gebogen.

    Het is mijn wens en gebed, dat u in deze adventsweken op verschillende ogenblikken ook “even stil valt…”. Van verwondering. “Heere, wat is het, dat U naar mij hebt willen omzien”. Maar ook dit: Zacharias zegt “God geeft Zijn volk kennis der zaligheid, in de vergeving hunner zonden”. Bent u om die reden ook wel eens stil geworden, beschaamd, misschien zelfs wel?

    Op de kerstfeestmiddag van 15 december mag u daar meer van horen. Ik zie er naar uit u te ontmoeten! Gezegende dagen toegewenst!

    Lezen: Lukas 1:57-80
    Zingen: de lofzang van Zacharias:4,5


    Namens de Protestantse Contact Dienst
    en de wijkkerkenraden van de Augustijnenkerk en Pauluskerk,
    van harte Gods zegen toegewenst.
    Ds. G. van Wijk, december 2016.

    Read more

  • De strijd in de loopbaan van het geloof

    “Daarom dan ook, alzo wij zo groot een wolk der getuigen rondom ons hebben liggende,
    laat ons afleggen alle last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt,en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is;
    Ziende op de oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus,
    Dewelke, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was,het kruis heeft verdragen, en schande veracht,
    en is gezeten aan de rechter hand des troons van God.”
    Hebreeën 12:1,2

    Op woensdag 28 september hebben wij opnieuw de ouderenontmoetingsmiddag gehad. Bent u niet eerder op deze middagen geweest, dan kan ik u dat van harte aanbevelen. Het is goed om samen te zijn, te ontmoeten en te spreken, te zingen, een presentatie mee te maken en ook te luisteren naar het Woord van God. Op donderdag 15 december is er de kerstmiddag. Mogen we u dan ontmoeten? Maakt u het maar kenbaar aan één van de PCD dames, dan rekenen wij op uw komst!
     

    Op de laatste ontmoetingsmiddag hebben wij Hebreeën 12 open gehad. Graag zet ik deze meditatie in beknopte vorm op schrift, zodat u het nog weer eens na kunt lezen en kunt overdenken. De Hebreeënbriefschrijver neemt ons mee naar het sportveld! Dat zou je niet zo verwachten. We zien in gedachten de sporters voor ons. Na het startschot lopen zij in hun baan, met maar één doel: als eerste de finish te bereiken. Maar, wat is er gebeurd? De schrijver zegt: het lijkt wel, alsof u als christenen, het eerste vuur kwijtgeraakt bent. Het lijkt wel alsof u in die loopbaan aan het wandelen bent. U drentelt maar wat over die baan – en dat in vol tenue – dat is toch geen gezicht?

    Misschien dat u dat wel herkent. Ik hoor van mensen wel eens: vroeger, dominee. Vroeger was ik zo betrokken op de dingen van het Evangelie. Ik zag uit naar het Heilig Avondmaal. Met overtuiging heb ik belijdenis mogen doen. Mochten we de kinderen groot brengen en hen het Evangelie voorhouden. Maar nu? Nu ben ik oud geworden. Nu staan de dingen soms zo ver bij mij vandaan. Het leven valt me zwaar. Waar is nu toch de Heere?

    Maar wat doet nu de Hebreënbriefschrijver? Hij zegt tegen ons: kijk eens naar de tribune. Wie zitten daar? Daar zitten al de bijbelheiligen, die ons voorgegaan zijn. Die hebben ook moeten strijden. Zij moesten ook gaan in de loopbaan van het geloof. Maar zie eens, dat zij nu de strijd te boven zijn. Wie zijn die bijbelheiligen? Dat leest u in Hebreeën 11. Daar zitten ze – de schrijver noemt hen “een wolk van getuigen” – Rachab de hoer, David, Mozes… Ja, boven alles uit, zie op de Heere Jezus! Hij is de overste Leidsman en Voleinder van het geloof. Hij is vooropgegaan! Hij heeft de grote strijd gestreden, en Hij heeft overwonnen. In onze plaats.

    Dat geeft kracht, om ook onze kleine strijd te strijden. De Hebreeën, aan wie de schrijver zich richt, waren in het geloof verflauwd. Ze worden opgeroepen om op Hem te zien. Opgeroepen om te zien op de uitkomst: het eeuwige leven. En dan zegt hij:

    “Gij hebt nog tot den bloede toe
    niet tegengestaan,
    strijdende tegen de zonde.” vers 4

    Laat ons er alles aan geven, niet uit eigen kracht. Maar uit kracht van Hem. Door de liefde van Hem en uit liefde tot Hem. Vanwege Zijn bloed dat Hij gaf…


    Lezen: Hebreeën 12:1-13
    Zingen: Psalm 138:4


    Namens de Protestantse Contact Dienst
    en de wijkkerkenraden
    van de Augustijnenkerk en Pauluskerk,
    van harte Gods zegen toegewenst.


    Ds. G. van Wijk, oktober 2016.

     

    Read more

  • Goddelijke bewaring

    Goddelijke bewaring

    “De Heere zal uw uitgang en uw ingang bewaren, van nu aan tot in der eeuwigheid.”
    Psalm 121:8

     Psalm 121 is een pelgrimslied. Psalm 121 werd gezongen door pelgrims. Zij waren op weg naar Jeruzalem. Samen. Met vele anderen. Op een van de grote feesten. Om de Heere te ontmoeten. Om Hem te aanbidden!

    Het feest begon al onderweg. Het vertrouwen op God werd bezongen. De Heere zal ons bewaren. Onze ziel, zelfs, zal Hij bewaren. De Heere heeft er zelfs een van Zijn namen aan te danken: de Bewaarder Israëls.
     
    Wat hebben wij allen de bewaring van de Heere nodig. De vakantieperiode staat voor de deur. Van ouderen hoor ik wel eens: ik ben altijd weer blij, als al mijn kinderen en kleinkinderen weer veilig thuis gekomen zijn.
     
    In het geestelijk leven geldt het nog meer. Ook ons leven is een reis. Er zijn allerlei gevaren die ons bedreigen. Verleidingen liggen op de loer. Ze kunnen ons zomaar van het grote doel afhouden. Het Jeruzalem hierboven.
     
    De dichter prijst zich gelukkig dat God er is.
    “Hij zal uw voet niet laten wankelen,
    uw Bewaarder zal niet sluimeren.”
     
    Mag ik u vragen: bent u ook zo’n pelgrim? Leeft u op God aan? Of reist u liever de andere kant op? De reis richting Sion gaat omhoog. Een prachtig beeld. De tempel lag immers op de berg Sion. Ook in geestelijk opzicht is een leven met de Heere een leven dat op de hemel aanwerkt. De tegenovergestelde richting is echter een afgang. Een eeuwig vergaan.
     
    Echter de dichter spreekt niet over vergaan, maar over bewaring. En dat door de Bewaarder van Israël. Hoor maar wat onze tekst zegt:
    “De Heere zal uw uitgang
    en uw ingang bewaren.”
     
    Dat woord “bewaren” komt herhaaldelijk terug in deze Psalm. Die bewaring is allesomvattend. Het gaat om bewaring in gelukkige dagen als de zon hoog aan de hemel staat, maar ook in de schaduwperiode van ons leven.
    “De zon zal u des daags niet steken,
    noch de maan des nachts.”
    Het gaat om bewaring voor ziel en lichaam. Voor tijd en eeuwigheid. Ja helemaal en totaal!
    “Uw ziel zal Hij bewaren”.
     
    Zelfs over dood en graf heen, is mijn ziel bij Hem veilig en geborgen.
     
    Ja, de Heere wil ons niet alleen bewaren voor alle kwaad: het kwaad van buitenaf dat mij treft. Maar Hij wil mij ook bewaren van alle kwaad: het kwaad van binnenuit. Het kwade dat in mij huist. Het kwade waarmee ik een ander en ook mezelf schade zou berokkenen.
     
    Ziet u wel, dat Zijn bewaring allesomvattend is? Wij denken vaak aan de gevaren van buitenaf. Maar de Christen onderkent ook het gevaar van binnenuit. Als God er niet zou zijn. Als God niet zou ingrijpen, dan zou een mens zichzelf nog te gronde richten.
     
    Dat “allesomvattende” komt ook tot uitdrukking in onze tekst. De dichter zegt dat de Heere onze uitgang en onze ingang zal bewaren. Ons leven is samen te vatten met uitgaan en ingaan. ‘s Morgens gaan we uit om ons werk te doen, ‘s avonds komen we weer thuis. Aan het begin van ons leven zijn we uitgegaan en aan het einde van het leven zullen we ingaan, in de schoot der aarde. Maar de Christen weet: de Heere is er bij. En Hij zal mij bewaren, om Christus’ wil. Laat dat ons persoonlijk gebed zijn.
     
    Ds. G. van Wijk, juli/augustus 2016

    Read more

Inloggen

Registreren